ECLI:NL:PHR:2003:AF1929
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing wegens onvoldoende motivering bij toewijzing immateriële schadevergoeding
In deze strafzaak is verzoeker door het hof veroordeeld wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid en opgelegd tot het verrichten van 140 uur onbetaalde arbeid. Tevens werd aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding van duizend gulden toegekend, met een corresponderende schadevergoedingsmaatregel.
Verzoeker stelde cassatie in tegen de toewijzing van deze schadevergoeding, waarbij werd aangevoerd dat de benadeelde partij reeds een hogere schadevergoeding van de voormalige werkgever van verzoeker had ontvangen. De raadsman van verzoeker stelde dat de vordering afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard diende te worden, omdat deze vergoeding mogelijk dezelfde schade betrof.
De Hoge Raad oordeelde dat de mededeling van de raadsman onvoldoende was onderbouwd en dat het hof deze mededeling nadrukkelijk had moeten betrekken bij zijn oordeel over de vordering. Omdat het hof dit niet had gedaan, vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de beslissing op de schadevergoeding betreft en verwees de zaak naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige onderdelen van het vonnis bleven ongewijzigd. De Hoge Raad zag geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen buiten het genoemde onderdeel.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de beslissing op de immateriële schadevergoeding betreft en verwezen naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling.