ECLI:NL:PHR:2003:AF1792
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring en onrechtmatige daad bij medische advisering over knieklachten
Eisers vorderden schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van een arts die een verkeerd en onvolledig advies had gegeven over de arbeidsgeschiktheid van eiser 1 met knieklachten. De Rechtbank Rotterdam wees de vordering af wegens verjaring, omdat eisers al in 1979 op de hoogte waren van de schade en de aansprakelijke persoon. Het Hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het beroep op art. 3:321 lid 1 onder Pro f BW, omdat geen sprake was van verzwijging van het eerdere advies.
Eisers stelden dat zij pas in 1995 of later bekend werden met de tegenstrijdigheid tussen de adviezen, maar dit werd door het Hof niet gevolgd. De Hoge Raad concludeerde dat, zelfs als aangenomen wordt dat de feiten voor toepassing van art. 3:321 lid 1 onder Pro f BW in aanmerking komen, de verjaringstermijn in elk geval in 1996 was voltooid en de vordering niet tijdig was gestuit.
Verder ontbrak elke aanwijzing dat de verweerder opzettelijk informatie had verborgen gehouden. De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde de verjaringsgrondslag van de afwijzing van de vordering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering was verjaard.