ECLI:NL:PHR:2003:AF0444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanvang vervaltermijn ontkenning vaderschap en instemming met daad als verwekking
Deze zaak betreft de vraag wanneer de vervaltermijn van één jaar voor het indienen van een verzoek tot ontkenning van het vaderschap aanvangt en of instemming met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, ook geldt bij aanzetten tot prostitutie.
De man was gehuwd met de vrouw die in november 1998 vertelde zwanger te zijn van een ander. Het kind werd in februari 1999 geboren. De man diende in februari 2000 een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in, nadat DNA-onderzoek had aangetoond dat hij niet de biologische vader was. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, maar het hof oordeelde anders en achtte het verzoek tijdig.
De Hoge Raad bevestigt dat de vervaltermijn van art. 1:200 lid 5 BW Pro van openbare orde is en dat deze termijn niet vóór de geboorte van het kind kan aanvangen, ook niet als de man eerder vermoedde dat hij niet de biologische vader was. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat instemming met een daad die verwekking kan veroorzaken niet van toepassing is op situaties waarin de man de vrouw tot prostitutie aanzet, omdat dit geen causaal verband met de verwekking oplevert.
De Hoge Raad vernietigt de eindbeschikking van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het bewijsaanbod en het verweer van de vrouw op grond van art. 1:200 lid 3 BW Pro.
Uitkomst: De vervaltermijn voor ontkenning van het vaderschap begint niet vóór de geboorte en instemming met een daad die verwekking kan veroorzaken geldt niet bij aanzetten tot prostitutie; zaak wordt terugverwezen.