ECLI:NL:PHR:2003:AF0168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verpanding van vorderingen ondanks overeengekomen verpandingsverbod niet geldig tegenover derden
In deze zaak vordert Oryx betaling van een bedrag gebaseerd op een pandrecht op vorderingen van [B] B.V. op [A]. Tussen [B] en [A] was een contractueel verpandingsverbod overeengekomen, dat het verpanden van vorderingen zonder toestemming verbood. Oryx stelde dat zij te goeder trouw was en dat het pandrecht geldig was.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft en dat een pandrecht dat in strijd met dit verbod is gevestigd ongeldig is tegenover derden. De goede trouw van Oryx beschermt haar niet tegenover de debiteur [A], omdat zij alleen kon vertrouwen op de verklaring van [B], de pandgever, en niet op die van [A].
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst erop dat het verpandingsverbod niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever, maar tot onoverdraagbaarheid van de vordering. Derdenbescherming op grond van artikel 3:88 BW Pro is hier niet van toepassing. Ook het beroep op artikel 3:36 BW Pro faalt omdat Oryx niet op een verklaring van de debiteur kon vertrouwen.
De conclusie is dat het overeengekomen verpandingsverbod leidt tot niet-overdraagbaarheid van de vordering en dat het pandrecht nietig is tegenover de debiteur. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Oryx.
Uitkomst: Het pandrecht van Oryx is ongeldig tegenover de debiteur vanwege het overeengekomen verpandingsverbod.