ECLI:NL:PHR:2003:AF0141

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/131HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedeisend belang bij ontruiming gekraakt bedrijfsruimte ondanks bouwvergunningprocedure

In deze zaak vordert de eigenaar van een bedrijfsruimte in Amsterdam ontruiming van het pand dat opnieuw gekraakt is. De eigenaar heeft bouwtekeningen en een gedetailleerde offerte overgelegd waaruit blijkt dat zij concrete bouwplannen heeft om het pand na ontruiming te verbouwen en in gebruik te nemen.

De President van de Rechtbank wees de vordering af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, onder meer omdat onvoldoende aannemelijk was dat de eigenaar snel zou beginnen met de verbouwing. Het Gerechtshof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat wel degelijk sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat de eigenaar een bouwvergunning had aangevraagd en de krakers het pand onrechtmatig bezetten.

De eiseres tot cassatie betwistte dit oordeel en voerde aan dat de bouwvergunning nog niet was verleend en dat ook het bestemmingsplan gewijzigd moest worden, zodat geen directe start van de werkzaamheden mogelijk zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat sprake is van spoedeisend belang een feitelijke beoordeling betreft die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.

Ook de motiveringsklacht faalt omdat het cassatiemiddel niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro en het hof in kort geding minder strenge motiveringseisen heeft. Het hof mocht aannemen dat de eigenaar niet hoefde te wachten op de vergunning om ontruiming te vorderen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat sprake is van spoedeisend belang wordt bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C01/131
Mr. L. Strikwerda
Zt. 1 nov. 2002
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Dit kort geding betreft een vordering tot ontruiming van een kraakpand, ingesteld door de eigenaar van het pand, [verweerster] (thans verweerster in cassatie), tegen [eiseres] (thans eiseres tot cassatie) en de overige - thans in cassatie niet meer als partij betrokken - bewoners van het pand. In cassatie wordt ter discussie gesteld het oordeel van het Hof dat [verweerster] een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3 van het arrest van het Hof in verbinding met r.o. 2 van het vonnis van de President).
(i) [Verweerster] is sinds maart 1998 eigenares van het pand aan de [a-straat 1-2] te Amsterdam. Het betreft hier bedrijfsruimte. In het pand zijn onder meer een tandartsenpraktijk, het Bureau voor Rechtshulp en Crediam gevestigd.
(ii) In april 1998 is de parterre van [a-straat 1] gekraakt. Bij vonnis van 28 mei 1998 zijn de krakers veroordeeld het pand uiterlijk op 15 juli 1998 te verlaten. De ontruiming heeft uiteindelijk in september 1998 plaatsgevonden.
(iii) In november 1999 zijn de parterre en het souterrain van de [a-straat 1] te Amsterdam (hierna: het pand) opnieuw gekraakt.
3. Bij dagvaarding van 17 februari 2000 heeft [verweerster] in kort geding voor de President van de Rechtbank te Amsterdam ontruiming door [eiseres] c.s. van het pand gevorderd binnen 2 x 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis.
4. Bij vonnis van 9 maart 2000 heeft de President geoordeeld dat geen spoedeisend belang aanwezig is en de gevraagde voorziening geweigerd. De President heeft daartoe overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verweerster] na de ontruiming in 1998 de verbouwing van het pand met voortvarendheid ter hand heeft genomen. De door [verweerster] ter zitting getoonde tekeningen hebben slechts betrekking op sloopwerkzaamheden en [verweerster] heeft geen concrete (bouw)plannen ontvouwd. [verweerster] heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ontruiming niet zal leiden tot verdere leegstand, aldus de President.
5. Op het hoger beroep van [verweerster] heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 maart 2001 het vonnis van de President vernietigd en, opnieuw recht doende, de gevraagde voorziening alsnog toegewezen. Naar het oordeel van het Hof is wèl sprake van een spoedeisend belang. Daartoe heeft het Hof overwogen - voorzover thans nog van belang - dat [verweerster] in hoger beroep bouwtekeningen voor het pand (gedateerd op 7 oktober 1999) en een tien pagina's beslaande nauwkeurige offerte (met peildatum 3 november 1999) in het geding heeft gebracht, waaruit volgens [verweerster] duidelijk wordt dat zij op het moment van de herkraak volkomen vastomlijnde bouwplannen had en dat na de ontruiming meteen een aanvang zal worden gemaakt met de uitvoering hiervan. Het Hof heeft voorts overwogen (r.o. 4.8) dat
"[eiseres] (...) hiertegenover slechts in het algemeen [heeft] gesteld (mva blz. 9 regel 21 e.v.) dat het volstrekt onaannemelijk is dat [verweerster] op korte termijn na ontruiming kan of wil beginnen met de uitvoering van de werkzaamheden en ingebruikname van de bedrijfsruimte. Waarom dit zo zou zijn maakt [eiseres] evenwel niet duidelijk. Dat [verweerster] in de tussentijd kennelijk ook geen stappen heeft ondernomen om de plannen verder te concretiseren, zoals [eiseres] stelt, mag geen verbazing wekken, nu de bedrijfsruimte enkele dagen na het uitbrengen van de offerte door haar is gekraakt en gekraakt is gehouden."
6. Tegen het arrest van het Hof is [eiseres] (tijdig) in cassatie gekomem met één middel. [verweerster] is in cassatie niet verschenen.
7. Het middel richt zich met een rechtsklacht en, subsidiair, een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof dat [verweerster] een spoedeisend belang heeft bij onverwijlde ontruiming van het pand. Aangevoerd wordt dat [verweerster] niet aannemelijk heeft gemaakt binnen afzienbare tijd daadwerkelijk te zullen overgaan tot het realiseren van het gebruik van de bedrijfsruimte. [Eiseres] heeft in feitelijke instanties immers aangevoerd dat [verweerster] weliswaar in oktober 1999 een bouwvergunning heeft aangevraagd, maar dat deze nog niet is verleend en dat daarnaast het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd. Het middel betoogt - kort samengevat - dat het onder deze omstandigheden onjuist, althans onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat er sprake is van een spoedeisend belang en dat het verweer van [eiseres] moet worden gepasseerd omdat [eiseres] slechts in het algemeen heeft gesteld dat het volstrekt onaannemelijk is dat [verweerster] meteen na de ontruiming zal beginnen met de uitvoering van de werkzaamheden en de ingebruikname van de bedrijfsruimte.
8. De rechtsklacht faalt. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, daaronder begrepen de wederzijdse belangen van partijen, in concreto voldoende spoedeisend belang bij de vordering bestaat. Dit oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zie bijv. HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602 nt. DWFV.
9. Ook de motiveringsklacht komt mij niet aannemelijk voor.
10. Het middel verzuimt te vermelden waar in de processtukken de stelling van [eiseres] is terug te vinden dat het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd alvorens [verweerster] met de uitvoering van haar bouwplannen kan beginnen. In zoverre voldoet het cassatiemiddel niet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro. te stellen eisen.
11. Ter zake van de bouwvergunning heeft [eiseres] op blz. 9 van haar memorie van antwoord, in het kader van haar betoog dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt, gesteld dat een bouwvergunning nog steeds ontbreekt en dat "mag worden aangenomen dat geen aanvang zal worden gemaakt zonder bouwvergunning".
12. In het licht van hetgeen door [eiseres] in de feitelijke instanties is aangevoerd over het ontbreken van een bouwvergunning, is het door het middel bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Mede gelet op het feit dat het hier gaat om een kort geding procedure, waarin minder strenge motiveringseisen gelden, was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering. Meer in het bijzonder behoefde het Hof niet afzonderlijk in te gaan op de stelling dat [verweerster] zonder een bouwvergunning nog geen aanvang kon maken met de bouwplannen. [Eiseres] heeft immers niet bestreden dat de bouwvergunning in oktober 1999 is aangevraagd, terwijl in feitelijke instanties niet is gesteld dat de toekenning van een die vergunning een probleem zou zijn en/of nog lang op zich zou laten wachten. Kennelijk en niet onbegrijpelijk was het Hof van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van [verweerster] om voor het verkrijgen van een ontruimingsbevel niet te hoeven wachten totdat de bouwvergunning zou zijn verleend, prevaleerde boven de belangen van [eiseres].
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,