ECLI:NL:PHR:2003:AD5797
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vraagt HvJ EU over toepassing verhuisboedelvrijstelling op personenauto met gemengd gebruik
In deze zaak gaat het om de toepassing van de verhuisboedelvrijstelling van de belasting op personenauto's en motorrijwielen (BPM) in het kader van een personenauto die door een werknemer van zijn werkgever ter beschikking werd gesteld en zowel voor zakelijke als privédoeleinden werd gebruikt.
Belanghebbende kreeg de auto van zijn werkgever, met een voorkeurskooprecht, en gebruikte deze van oktober 1996 tot december 1997. Bij verhuizing van Oostenrijk naar Nederland vroeg hij vrijstelling van BPM aan op grond van de verhuisboedelvrijstelling. De Inspecteur wees dit af, waarna het Hof te 's-Hertogenbosch oordeelde dat aan de voorwaarden van de Europese Verordening (EEG) nr. 918/83 was voldaan en verleende vrijstelling.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel, waarbij onder meer de vraag centraal stond of de auto als persoonlijk goed kon worden aangemerkt en of het begrip bezit in de Verordening volgens het spraakgebruik moet worden uitgelegd. De Hoge Raad concludeert dat er twijfel bestaat over de uitleg van deze begrippen en over de toepassing van de vrijstelling bij gemengd gebruik van de auto. Daarom worden prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gesteld om duidelijkheid te verkrijgen.
Daarnaast bespreekt de conclusie de problematiek rond de BPM-heffing op ingevoerde gebruikte auto's en de mogelijke strijdigheid van de Nederlandse regeling met het Europese recht, waarbij ook de bewijslastverdeling en de afschrijvingsmethodiek aan de orde komen.
Uitkomst: Cassatieberoep aangehouden en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de verhuisboedelvrijstelling en het begrip bezit.