ECLI:NL:PHR:2002:ZD8086
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek inzage tussentijdse processen-verbaal en strafmotivering in hoger beroep
In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van valsheid in geschrift en belastingontduiking. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte geweigerd heeft tussentijdse processen-verbaal van de terechtzittingen aan de verdediging te verstrekken, waardoor zijn verdedigingsrechten zijn geschonden.
De Hoge Raad overweegt dat het wettelijke systeem voorschrijft dat het proces-verbaal pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting wordt vastgesteld en ondertekend. Het verzoek om tussentijdse processen-verbaal te verstrekken vindt geen steun in de relevante artikelen van het Wetboek van Strafvordering, waaronder art. 327 en Pro 365 Sv. Ook is geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, aangezien de verdediging onbelemmerd haar taak heeft kunnen vervullen.
Daarnaast is het middel gericht tegen de strafmotivering van het hof, met name het verschil in strafoplegging ten opzichte van een medeverdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de straf heeft gebaseerd op de feiten in de zaak van verdachte zelf en dat de vergelijkingsmethode een algemeen erkende rechtsvindingstechniek is. Het beroep wordt verworpen omdat geen schending van het recht is vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht het verzoek om tussentijdse processen-verbaal afgewezen en de strafmotivering is rechtmatig.