ECLI:NL:PHR:2002:AE9254
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt terugkeer minderjarige naar Canada op grond van HKOV
De zaak betreft een executiegeschil over de terugkeer van een minderjarige naar Canada, waarbij de vader het kind in Nederland achterhield. De Rechtbank Groningen en het Gerechtshof Leeuwarden hebben de vader veroordeeld tot afgifte van het kind aan het echtpaar dat het gezag heeft volgens het Canadese recht en het HKOV. De vader voerde aan dat tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid is en dat het belang van het kind in het geding is vanwege mogelijke fysieke en geestelijke gevaren.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het echtpaar op het moment van het niet terugkeren het gezagsrecht toekwam en dat de uitspraak van de Canadese rechter dit bevestigt. Het Hof heeft ook terecht overwogen dat een executiegeschil niet geschikt is om nieuwe feiten te onderzoeken die niet tijdens de eerdere procedure naar voren zijn gebracht.
De Hoge Raad wijst erop dat schorsing van de tenuitvoerlegging alleen mogelijk is bij nieuwe feiten die een noodtoestand veroorzaken, wat hier niet het geval is. De stellingen van de vader over de rol van de Mujahedeen en toestemming voor permanent verblijf zijn niet nieuw en zijn gemotiveerd betwist, zodat nader bewijs in een andere procedure moet worden geleverd.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de eerdere uitspraken in stand blijven en de terugkeer van het kind naar Canada wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de terugkeer van het kind naar Canada wordt bevestigd.