ECLI:NL:PHR:2002:AE8881

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02017/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 47 SrAuteurswet 1912Art. 68 Algemene wet inzake de rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste bewezenverklaring medeplegen oplichting kantoorinventaris

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin verzoeker is veroordeeld voor meervoudige overtredingen van de Auteurswet, medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van oplichting en belastingwetgeving. Het hof had onder meer bewezen verklaard dat verzoeker en mededader zich valselijk als eigenaar en rechthebbende van kantoorinventaris en -meubelen hadden voorgedaan, terwijl er beslag op lag, teneinde een cheque te verkrijgen.

De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker en mededader wel degelijk eigenaar waren van de goederen en dat zij de koper hadden geïnformeerd over het beslag. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake was van valsheid en bedrog in deze context. Hierdoor is de bewezenverklaring voor het vierde feit niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor dit onderdeel en verwijst de zaak terug naar het hof te Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. De overige middelen van cassatie worden verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal bevat een gedetailleerde analyse van de bewijsvoering en juridische overwegingen omtrent auteursrechten, valsheid in geschrift en oplichting.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het vierde tenlastegelegde feit en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 02017/01
Mr Jörg
Zitting 1 oktober 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 10 mei 2001 wegens - kort gezegd - meermalen overtreden van de Auteurswet 1912, het `medeplegen van valsheid in geschrift', 'valsheid in geschrift, meermalen gepleegd', het `medeplegen van oplichting' en 'overtreding van art. 68 Algemene Pro wet inzake de rijksbelastingen' veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, en met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker hebben mrs. J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 02018/01 en 02300/01, in welke zaken vandaag eveneens conclusie wordt genomen.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat een onderdeel van het onder 2 bewezenverklaarde feit niet berust op enig in het arrest opgenomen bewijsmiddel.
4. Ten aanzien van feit 2 heeft het hof bewezenverklaard dat verzoeker:
"omstreeks 18 mei 1996, te Enschede althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een aan [C] A.G. te [plaats E]-Zwitserland gerichte - en voor dat bedrijf bestemde schriftelijke verklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), valselijk in dat geschrift vermeld -zakelijk weergegeven- dat de verschuldigde muziek- en licentierechten, behorend bij door of namens "[D]" te [plaats F] in Georgi[ë] bij [C] te [plaats E]-Zwitserland bestelde en nog te bestellen CD's en/ of cassettes, telkens zouden worden voldaan door "[D]" te [plaats F] in Georgi[ë] en dat na elke aflevering de daarbij behorende officiële documenten en betalingsbewijzen aan [C] voornoemd zouden worden getoond, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."
5. In het middel wordt gesteld dat de zinsnede "en dat na elke aflevering de daarbij behorende officiële documenten en betalingsbewijzen aan [C] voornoemd zouden worden getoond" niet op enig in het arrest opgenomen bewijsmiddel rust.
6. Het hof heeft als bewijsmiddel 1.10 een gedeelte van het aan [C] A.G. te [plaats E] gerichte faxbericht opgenomen. De onder meer in het Engels opgestelde schriftelijke verklaring, afkomstig van "[D]", houdt onder meer volgens de eigen vertaling van het hof in:
"Hierbij verklaren wij dat wij verantwoordelijk zijn voor en dat wij er mee instemmen dat wij zullen betalen de originele muziekrechten en kosten van licentie van de geproduceerde cd's die door onze firma zullen worden gekocht van of door middel van uw firma."
7. Raadpleging van het faxbericht in het dossier leert dat de verklaring verder onder andere inhoudt:
"We show you after every d(e)livery the official stamped documents and music rights - payed declaration."
8. Deze zin komt overeen met de zinsnede dat 'na elke aflevering de daarbij behorende officiële documenten en betalingsbewijzen aan [C] voornoemd zouden worden getoond', zoals opgenomen in de tenlastelegging en de bewezenverklaring.
9. Het hof heeft kennelijk dit gedeelte van het faxbericht niet redengevend geacht voor het verwijt dat aan verzoeker wordt gemaakt. Abusievelijk heeft het hof vervolgens nagelaten deze zinsnede in de bewezenverklaring door te halen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring in zoverre verbeterd lezen.
10. Het middel faalt.
11. Het tweede middel klaagt erover dat het hof in de bewijsconstructie van het vierde feit gebruik heeft gemaakt van bewijsmiddelen die strijdig zijn met de bewezenverklaring, althans dat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen.
12. Het vierde feit betreft het medeplegen van oplichting. Het hof heeft bewezenverklaard dat - kort gezegd - verzoeker met (een) ander(en) [betrokkene 1] bewogen heeft tot de afgifte van een cheque ter waarde van SF 13.690,- door aan [betrokkene 1] een partij kantoorinventaris en -meubelen te tonen, zich voor te doen als eigenaar en rechthebbende en daarbij te verzwijgen dat op die goederen conservatoir beslag was gelegd.
13. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bedoelde goederen afkomstig waren van het failliete bedrijf [B]. Het bedrijf [A] B.V. heeft in november 1991 de failliete boedel van [B] gekocht, als gevolg waarvan het bedrijf [A] B.V. eigenaar werd van de goederen. [Medeverdachte], als directeur van [A] B.V. was derhalve bevoegd namens dit bedrijf op te treden. Begin 1992 werd door de deurwaarder te [plaats E] onder "schuldenaar [verdachte], [A] BV p/a [g-straat], [plaats E]" beslag gelegd op de kantoormeubelen en inventaris in het gebouw van [B]. Vervolgens kwam [betrokkene 1] in april 1992 in contact met verzoeker en heeft van verzoeker en [medeverdachte] een partij kantoorinventaris en -meubelen gekocht.
14. In het middel wordt gesteld dat het onbegrijpelijk is hoe het hof bewezen heeft kunnen verklaren dat verzoeker en zijn mededader 'opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich tegenover [betrokkene 1] voorgedaan als eigenaren en rechthebbenden van die partij kantoorinventaris en -meubelen', aangezien verzoeker en [medeverdachte] bevoegd waren de goederen te verkopen en verzoeker tegen [betrokkene 1] verteld heeft dat op de inboedel beslag was gelegd.
15. Het lijkt me dat het middel slaagt. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verzoeker en [medeverdachte] zich in strijd met de waarheid en valselijk hebben voorgedaan als eigenaren en rechthebbenden van de goederen. Zij waren op dat moment eigenaren en rechthebbenden. Indien op goederen beslag wordt gelegd, wil dat niet zeggen dat de eigenaar of rechthebbende ophoudt eigenaar of rechthebbende te zijn. Het beslag beperkt wel de bevoegdheden van de beslagene. De beslagene kan niet meer in volle omvang over het goed beschikken. Een in strijd met een beslag verrichte beschikkingshandeling is wel geldig, maar kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen (vgl. F.H.J. Mijnssen, Materieel beslagrecht, 1992, p. 9-11). De beslagene blijft ten aanzien van de beslagen zaak derhalve beschikkingsbevoegd (Gieske, Tekst en Commentaar Rv, art. 543a, aant. 2).
16. In de bewijsmiddelen is voorts opgenomen de verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 4.5) waarin hij stelt dat [betrokkene 1] verteld is dat op de boedel beslag was gelegd door de deurwaarder en dat hij er niet direct over kon beschikken. Uit de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4.3) blijkt dat verzoeker aan [betrokkene 1] gezegd heeft dat de goederen van hen (verzoeker en zijn mededader, NJ) waren, maar dat de deurwaarder de goederen nog formeel vrij moest geven. Tevens kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [betrokkene 1] op de hoogte moet zijn geweest van het beslag aangezien de ruimte waarin het meubilair was opgeslagen, verzegeld was en [betrokkene 1] zag dat verzoeker en [medeverdachte] de zegels verwijderden, en later terugplakten
17. Al met al kan naar mijn mening niet worden bewezenverklaard dat [betrokkene 1] bewogen is door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen. Verzoeker heeft
- niet valselijk de kantoorinventaris en meubelen getoond;
- zich niet valselijk als eigenaar of rechthebbende daarop voorgedaan;
- niet valselijk verzwegen dat daarop door een deurwaarder beslag was gelegd;
- weliswaar de visuele kenmerken van de beslaglegging verwijderd, maar in het volle zicht van de koper, en ze ook weer teruggeplakt, dus niet valselijk, listiglijk of bedrieglijk;
- niet valselijk de goederen te koop aangeboden;
- niet valselijk de goederen verkocht;
(verg. HR 29 november 1994, DD 1995, 119). De mededeling dat "de deurwaarder de goederen nog formeel vrij moest geven" is op zichzelf niet onwaar, maar bevat de onvolledige waarheid. De mededeling suggereert dat de beslaglegging feitelijk ten einde was gekomen en alleen nog op formele afwikkeling wachtte. Deze mededeling is echter niet als oplichtingsmiddel geformuleerd.
De bewezenverklaring van het onder vier tenlastegelegde feit is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
18. Het middel slaagt.
19. Het derde middel heeft betrekking op de bewezenverklaring van feit 5 en bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de bewijsmiddelen, nu de gebruikte bewijsmiddelen de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaten dat het opzet van verzoeker niet was gericht op het handelen in strijd met eens anders auteursrecht.
20. Het hof heeft bewezenverklaard dat verzoeker - kort gezegd - in de periode 1 februari 1997 tot 15 april 1997 met anderen opzettelijk cd's, waarin telkens met inbreuk op eens anders auteursrecht muziekwerken waren vervat, ter verspreiding voorhanden heeft gehad en het plegen van die misdrijven telkens als bedrijf heeft uitgeoefend.
21. Het hof heeft als bewijsmiddel 5.1 opgenomen de verklaring van verzoeker, onder andere inhoudende:
"Ik weet dat auteursrechten rechten zijn die aan de ontwerpers van muziek worden afgedragen via bijvoorbeeld BUMA/STEMRA. Ik weet dat als je een cd wil laten maken dat je hiervoor toestemming kunt vragen bij BUMA/STEMRA."
22. Bewijsmiddel 5.2 bevat de verklaring van verzoeker, afgelegd op 28 juli 1997, waarin hij stelt:
"Ik heb die mastertape en die litho nooit bekeken. Ook bij latere bestellingen niet. Ik heb overigens ook nooit de geproduceerde cd's gezien. Ik heb echt geen idee wat voor artiesten er op de cd's staan die ik in ()opdracht van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heb laten produceren. De mastertape en litho en bijbehorende STEMRA-papieren stuurde ik naar [C]. [Betrokkene 2] heeft ook wel eens deze benodigdheden meegenomen bij het ophalen van een andere partij cd's."
23. In aanmerking genomen dat verzoeker:
- van het bestaan van auteursrechten op de hoogte is,
- reeds eerder illegale cd's had laten persen (bewijsmiddel 1.3), en
- niet de mastertape, litho's, en zelfs nooit de geproduceerde cd's bekeken heeft,
heeft verzoeker de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij cd's voorhanden heeft gehad waarin telkens met inbreuk op eens anders auteursrecht muziekwerken waren vervat. Het hof heeft derhalve het tenlastegelegde opzet bewezen kunnen verklaren.
24. Het middel faalt.
25. De middelen 1 en 3 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering. Het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing wat betreft het vierde tenlastegelegde feit en tot verwijzing van de zaak naar het hof te Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG