ECLI:NL:PHR:2002:AE8457
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid accountant voor onjuiste waardering inbreng op aandelen bij oprichting BV
De zaak betreft de aansprakelijkheid van een accountant die een verklaring heeft afgelegd over de waardering van een inbreng in natura bij de oprichting van een besloten vennootschap (IBH), die later failliet ging. De curator stelt dat de accountant onrechtmatig heeft gehandeld door een te hoge waarde toe te kennen aan de ingebrachte gronden, waardoor de vennootschap schade leed.
De accountant voerde aan dat zijn verklaring slechts vereist dat de totale waarde van de inbreng ten minste de stortingsplicht dekt, en dat hij goodwill als waardefactor had mogen meenemen. De rechtbank en het hof oordeelden echter dat goodwill niet in de beschrijving van de inbreng was opgenomen en dat het ontbreken daarvan de accountant belette deze mee te nemen in zijn verklaring. Tevens werd vastgesteld dat de waarde van de gronden aanzienlijk lager was dan door de accountant was verklaard.
De Hoge Raad bevestigt dat de accountant gebonden is aan de beschrijving van de inbreng en dat goodwill, indien niet als afzonderlijk activum in die beschrijving is opgenomen, niet kan worden betrokken bij de waardering in de accountantsverklaring. De aansprakelijkheid van de accountant voor het verschil in waardering wordt bevestigd, en de schade wordt vastgesteld op het bedrag van de lagere waarde van de gronden ten opzichte van de opgegeven waarde, tot het bedrag van de stortingsplicht. Het bewijsaanbod van de accountant werd afgewezen wegens onvoldoende motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de aansprakelijkheid van de accountant voor de schade door onjuiste waardering van de inbreng.