ECLI:NL:PHR:2002:AE7851
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat bank borg niet mag aanspreken bij rechtmatige kredietopzegging zonder bijzondere omstandigheden
In deze zaak stond centraal of de bank de borg mocht aanspreken op grond van een borgtochtovereenkomst nadat zij het krediet aan vier vennootschappen had opgezegd. De rechtbank oordeelde dat de bank de borg slechts mocht aanspreken indien een redelijk handelende bank het krediet zou hebben opgezegd. De rechtbank vond dat de bank onredelijk had gehandeld door het krediet op te zeggen en wees de vordering van de bank af.
Het hof stelde de bank in het gelijk en oordeelde dat de kredietopzegging niet onredelijk was en dat de bank de borg mocht aanspreken. Het hof vond dat het geringe tijdsverloop tussen het sluiten van de borgtochtovereenkomst en de kredietopzegging geen bijzondere omstandigheden vormde die de bank zouden binden tot voortzetting van de financiering.
De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat de bank niet gehouden was de financiering voort te zetten en dat bijzondere omstandigheden ontbraken die tot een ander oordeel zouden leiden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het beroep op redelijkheid en billijkheid niet tot een zelfstandige toetsing leidde los van de rechtmatigheid van de kredietopzegging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bank de borg mag aanspreken bij rechtmatige kredietopzegging zonder bijzondere omstandigheden.