ECLI:NL:PHR:2002:AE7628

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00190/02 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16b AdvocatenwetArt. 16e AdvocatenwetArt. 37 Wetboek van StrafvorderingArt. 437 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken schriftuur door bezoekende advocaat

Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld wegens zes economische delicten en kreeg geldboetes opgelegd. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens verdachte diende een Portugese advocaat, Margarida Fernandes Jacinto, een brief met bijlagen in bij de Hoge Raad.

Sinds 1 oktober 2000 is artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van kracht, dat vereist dat een verdachte binnen twee maanden na aanzegging door zijn raadsman een schriftuur bij de Hoge Raad indient. Dit is verplicht en bij niet-naleving wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

De Portugese advocaat is een bezoekende advocaat als bedoeld in artikelen 16b en 16e van de Advocatenwet, die voorschrijven dat een bezoekende advocaat moet samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat die praktijk uitoefent bij het betrokken gerecht. Uit de stukken blijkt dat niet aan deze vereisten is voldaan, waardoor geen tijdige schriftuur is ingediend.

Daarnaast bevatte de brief van de Portugese advocaat geen rechtsmiddelen die aan de eisen voldoen. Daarom concludeert de Procureur-Generaal dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van een tijdige schriftuur door een bevoegde raadsman.

Conclusie

Nr. 00190/02/E
Mr Fokkens
Zitting: 3 september 2002
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens een zestal economische delicten veroordeeld tot evenzoveel geldboetes.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.
3. Namens verdachte heeft Margarida Fernandes Jacinto, advocaat te Santarém, Portugal, de Hoge Raad een brief met bijlagen gezonden, welke op 8 mei 2002 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
4. Op 1 oktober 2000 is de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat) in werking getreden. Voor zaken als de onderhavige, waarin na 1 oktober 2000 cassatieberoep is ingesteld, schrijft sedertdien art. 437, tweede lid, Sv voor, dat de verdachte op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is om binnen twee maanden na betekening van de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging door zijn raadsman een schriftuur bij de Hoge Raad te doen indienen. Blijft indiening van een schriftuur uit, dan wordt de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
5. Art 37 Sv Pro luidt:
"Als raadslieden worden slechts toegelaten in Nederland ingeschreven advocaten, alsmede personen bedoeld in artikel 16b van de Advocatenwet; deze laatsten indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16e van de Advocatenwet."
Art 16b Advocatenwet houdt in:
"Voor de uitoefening in Nederland van werkzaamheden bij wijze van dienstverrichting, worden mede als advocaat aangemerkt, personen die niet als zodanig in Nederland zijn ingeschreven, maar die wel in een andere tot de Europese Economische Gemeenschap behorende staat of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hierna te noemen staat van herkomst, gerechtigd zijn hun beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een der talen van de staat van herkomst."
en art. 16e, voor zover van belang:
"1. Bij de uitoefening van werkzaamheden, bij wijze van dienstverrichting, betreffende de vertegenwoordiging en de verdediging van een cliënt in rechte, waarvoor ingevolge de wet de tussenkomst van een advocaat of procureur is voorgeschreven, moet een bezoekende advocaat samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat, hierna te noemen de samenwerkende advocaat, die bij het betrokken gerecht praktijk uitoefent en die in voorkomend geval verantwoordelijk is tegenover dat gerecht."
6. Uit de stukken blijkt niet dat aan de in art. 16e gestelde vereisten voor de uitoefening van werkzaamheden door een bezoekende advocaat is voldaan. Dit impliceert dat niet tijdig door een raadsman als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv een schriftuur is ingediend. Reeds daarom kan verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen (vgl. HR NJ 1985, 910 en HR 20 juni 2000, nr. 01693/99/H). Ten overvloede merk ik op dat de brief van verdachtes Portugese advocaat geen middel bevat dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat ook om die reden het beroep niet-ontvankelijk zou zijn.
7. Ik concludeer dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.