ECLI:NL:PHR:2002:AE7247
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding agentuurovereenkomst en rechtsmiddelenverbod bij niet-tijdig hoger beroep
In deze zaak verzocht verweerster de ontbinding van een agentuurovereenkomst met Cartiera en toekenning van schadevergoeding wegens dringende reden of gewijzigde omstandigheden. De Kantonrechter wees het verzoek toe omdat Cartiera niet verscheen en kende schadevergoeding toe. Cartiera stelde hoger beroep in, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na betekening van de beschikking was ingesteld.
Cartiera voerde in cassatie aan dat de beroepstermijn pas op een latere datum was aangevangen omdat zij de beschikking pas later had ontvangen. Verweerster stelde echter dat de beschikking rechtsgeldig op 26 februari 2001 was betekend, hetgeen door bewijsstukken werd ondersteund. De rechtbank oordeelde dat Cartiera onvoldoende gemotiveerd had betwist dat zij de beschikking op die datum had ontvangen.
De Hoge Raad bevestigde dat het rechtsmiddelenverbod bij ontbinding van agentuurovereenkomsten slechts doorbroken kan worden bij fundamentele schendingen van rechtsbeginselen of indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de wet is getreden. De klacht van Cartiera betrof echter alleen de motivering van de niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding, wat geen doorbrekingsgrond vormt. Wel oordeelde de Hoge Raad dat Cartiera ontvankelijk is in cassatie omdat in appel een beroep was gedaan op doorbrekingsgronden.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel inhoudelijk en bevestigde dat de beschikking op 26 februari 2001 rechtsgeldig was betekend, dat de beroepstermijn op die datum begon te lopen en dat het hoger beroep van Cartiera te laat was ingediend. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Cartiera wordt verworpen en het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.