ECLI:NL:PHR:2002:AE5589
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing oude strafbepaling bij vals aangiftebiljet successierecht
In deze zaak stond de vraag centraal of een tenlastelegging van het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet successierecht uit mei 1994 kon worden vervolgd op grond van het tweede lid van art. 225 Wetboek Pro van Strafrecht, of dat de latere overgangsbepalingen in art. 69 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing waren. De Hoge Raad bevestigde dat de feiten zich voordeden vóór de inwerkingtreding van de huidige art. 69 AWR Pro per 1 januari 1998 en dat daarom het oude strafrecht van toepassing bleef.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat overgangsbepalingen bepalen dat nieuwe strafbepalingen slechts van toepassing zijn op feiten die zich voordoen na de inwerkingtredingsdatum. Dit betekent dat het feit van mei 1994 niet onder de nieuwe strafbepalingen van art. 69 AWR Pro valt. De verdediging had aangevoerd dat toepassing van art. 225 Sr Pro in deze context strijdig zou zijn met het internationaal verbod op terugwerkende kracht van strafrecht (art. 15 IVBPR Pro), maar de Hoge Raad verwierp dit omdat het feit reeds strafbaar was gesteld op het moment van begaan.
De zaak betrof een veroordeling door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete wegens het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet. Het middel van cassatie dat werd ingediend richtte zich op de toepassing van de juiste wettelijke bepalingen, maar werd door de Hoge Raad verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal was eveneens dat het middel faalde en dat geen aanleiding bestond tot ambtshalve vernietiging van de uitspraak.
Uitkomst: De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete wegens het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet successierecht uit 1994.