ECLI:NL:PHR:2002:AE5589

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01395/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AWRArt. 15 IVBPRArt. 1, tweede lid, SrArt. 225 SrArt. III Wet van 18 december 1997
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing oude strafbepaling bij vals aangiftebiljet successierecht

In deze zaak stond de vraag centraal of een tenlastelegging van het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet successierecht uit mei 1994 kon worden vervolgd op grond van het tweede lid van art. 225 Wetboek Pro van Strafrecht, of dat de latere overgangsbepalingen in art. 69 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing waren. De Hoge Raad bevestigde dat de feiten zich voordeden vóór de inwerkingtreding van de huidige art. 69 AWR Pro per 1 januari 1998 en dat daarom het oude strafrecht van toepassing bleef.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat overgangsbepalingen bepalen dat nieuwe strafbepalingen slechts van toepassing zijn op feiten die zich voordoen na de inwerkingtredingsdatum. Dit betekent dat het feit van mei 1994 niet onder de nieuwe strafbepalingen van art. 69 AWR Pro valt. De verdediging had aangevoerd dat toepassing van art. 225 Sr Pro in deze context strijdig zou zijn met het internationaal verbod op terugwerkende kracht van strafrecht (art. 15 IVBPR Pro), maar de Hoge Raad verwierp dit omdat het feit reeds strafbaar was gesteld op het moment van begaan.

De zaak betrof een veroordeling door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete wegens het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet. Het middel van cassatie dat werd ingediend richtte zich op de toepassing van de juiste wettelijke bepalingen, maar werd door de Hoge Raad verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal was eveneens dat het middel faalde en dat geen aanleiding bestond tot ambtshalve vernietiging van de uitspraak.

Uitkomst: De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete wegens het opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet successierecht uit 1994.

Conclusie

Nr. 01395/01
Mr Wortel
Zitting: 25 juni 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker, met bevestiging van een door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht gewezen vonnis behoudens ten aanzien van de bewijsvoering en de opgelegde straf alsmede de motivering daarvan, wegens (1.) "opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" en (2.) "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, en tot een geldboete van tienduizend gulden, subsidiair honderd dagen hechtenis
2. Namens verzoeker heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Daarin wordt geklaagd over schending van art. 15 IVBPR Pro, art. 1, tweede lid, Sr, art. 69, vierde lid, AWR en art. III van de Wet van 18 december 1997 (Stb 1997, 737). Deze bepalingen zouden zijn geschonden omdat het Hof het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde heeft aangemerkt als het in art. 225, tweede lid, Sr strafbaar gestelde feit, terwijl het Hof toepassing had moeten geven aan art. 69, vierde lid AWR, zoals de bepaling sedert 1 januari 1998 luidt. Ingevolge die bepaling is strafvervolging op grond van art. 225, tweede lid, Sr uitgesloten indien het feit waarop de vervolging betrekking heeft ook onder het bereik komt van het eerste of tweede lid van art. 69 AWR Pro.
4. Over de toepassing van het huidige art. 69 AWR Pro in verband met de daarop betrekking hebbende overgangsbepaling heeft de Hoge Raad zich reeds uitgelaten.
In HR 9 oktober 2001, griffienr 02290/00 is overwogen dat ingevolge art. I van de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 737, het in art. 69 voorziene Pro strafbare feit, zoals vervat in de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 738 en zoals de omschrijving daarvan is komen te luiden volgens de aan het slot van art. I van de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 737 opgenomen tekst, eerst in aanmerking kan worden genomen voor aangiften die betrekking hebben op tijdvakken die aanvangen op of na de datum van inwerkingtreding. Dat is bepaald in art. III van de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 738, zoals dit is komen te luiden in de tekst die is opgenomen in de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 737:
"Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken of tijdstippen die aanvangen respectievelijk liggen op of na de datum van inwerkingtreding (...)"
5. In het zo-even genoemde arrest voerden deze overwegingen tot vernietiging van een uitspraak waarin de feitenrechter - de overgangsregeling miskennend - had vastgesteld dat het thans in art. 69, eerste lid, AWR opgenomen zogenaamde 'strekkingsvereiste' (het niet of niet tijdig doen van de belastingaangifte moet de strekking hebben dat te weinig belasting wordt geheven) niet in de, op art. 68 OUD Pro AWR gebaseerde, tenlastelegging was opgenomen.
De uitspraak van de Hoge Raad had aldus betrekking op de toepassing van het eerste lid van art. 69 AWR Pro, en, mutatis mutandis, ook op de toepassing van het tweede lid van die bepaling (waarin strafbaar is gesteld het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van een belastingaangifte).
6. Mij komt het voor dat de door de Hoge Raad aangewezen overgangsbepaling, neergelegd in art. III van de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 738, zoals de bepaling is komen te luiden ingevolge art. XXIII van de Wet van 18 december 1997, Stb 1997, 737, evenzeer toepasselijk is op het thans in het vierde lid van art. 69 AWR Pro opgenomen voorschrift dat art. 225, tweede lid, Sr niet de grondslag van een strafvervolging kan zijn indien het feit onder de in de eerste twee leden van art. 69 AWR Pro voorziene strafbaarstellingen valt.
7. In de toelichting op het middel wordt, verwijzend naar HR NJ 1993, 722 en HR NJ 1997, 546, betoogd dat het thans in art. 69, vierde lid, AWR opgenomen voorschrift onder het bereik van art. 1, tweede lid, Sr kan komen, aangezien het voorschrift weliswaar niet rechtstreeks betrekking heeft op de strafbaarheid van het feit, doch de invoering van het voorschrift niettemin wijst op een gewijzigd inzicht van de wetgever (in voor verzoeker gunstige zin) ten aanzien van de in de vervolgingsmogelijkheid tot uitdrukking komende strafwaardigheid van het feit.
8. Dat standpunt is geenszins onverdedigbaar, aangezien uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de invoering van art. 69, vierde lid, AWR verband hield met de vaststelling dat vervolging van (kort gezegd) een fiscaal vergrijp op basis van art. 225, tweede lid, Sr geen recht doet aan bijzondere bepalingen die het fiscale strafrecht kent, met name de beslissingsbevoegdheid van de belastingdienst (waaronder de aan het bestuur van 's Rijks belastingen toegekende transactiebevoegdheid) en de zogenaamde 'inkeerregel' (thans opgenomen in art. 69, derde lid, AWR).
9. Het staat de wetgever evenwel vrij een overgangsregel vast te stellen die tot een ander resultaat voert dan (zonder die overgangsbepaling) uit art. 1, tweede lid, Sr zou voortvloeien.
Toepassing van zo een, in de uitkomst van art. 1, tweede lid, Sr afwijkende, bijzondere overgangsregel is niet in strijd met art. 15, eerste lid, IVBPR. Die verdragsbepaling behelst het verbod iemand te veroordelen ter zake van een feit dat ten tijde van de gedraging niet strafbaar was, en het verbod iemand tot een zwaardere straf te veroordelen dan ten tijde van het begaan van het feit daarop was gesteld. Op die verbodsbepalingen wordt geen inbreuk gemaakt indien de gedraging reeds vóór een wetswijziging strafbaar was gesteld, de wetswijziging slechts tot gevolg heeft dat er beperkingen zijn aangebracht in de mogelijkheden tot vervolging van het feit, en de wetgever aanleiding heeft gevonden die beperkingen niet toepasselijk te doen zijn op feiten die vóór het inwerkingtreden van de gewijzigde wettelijke bepalingen zijn begaan (en reeds toen strafbaar waren gesteld).
10. Onder 1 is verzoeker in subsidiaire vorm tenlastegelegd - kort gezegd - het opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst aangiftebiljet ter zake van het successierecht, begaan op of omstreeks19 mei 1994, althans in de maand mei 1994. Het valse geschrift betrof derhalve een belastingaangifte met betrekking tot een tijdvak of tijdstip dat geruime tijd voor de inwerkingtreding (op 1 januari 1998) van het huidige art. 69 is Pro gelegen.
's Hofs oordeel dat het tenlastegelegde feit overeenkomstig art. 225, tweede lid, Sr vervolgd kon worden en - na bewezenverklaring - aangemerkt kan worden als het in die bepaling strafbaar gestelde feit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
11. Het middel faalt. Mijns inziens leent het zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,