ECLI:NL:PHR:2002:AE5205
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering wegens oplichting en gewelddadige afpersing in Duitsland
De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht verklaarde de uitlevering van verzoeker aan Duitsland toelaatbaar ter uitvoering van een strafrestant van 869 dagen voor onder meer gewelddadige diefstal, afpersing, oplichting en overtreding van de Wegenverkeerswet. Verzoeker stelde cassatiemiddelen in tegen deze beslissing. Een van de klachten betrof het ontbreken van het recht op het laatste woord tijdens de zitting, welke werd verworpen omdat art. 311 lid 4 Sv Pro niet van toepassing is in uitleveringsprocedures.
De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat verzoeker zich valselijk voordeed als bevoegd chauffeur en daarmee een arbeidsovereenkomst sloot, naar Nederlands recht als oplichting (art. 326 Sr Pro) moet worden aangemerkt. De Hoge Raad nuanceerde de toepassing van art. 326 Sr Pro, waarbij het aangaan van een arbeidsovereenkomst als het afgeven van een goed wordt gezien, in tegenstelling tot louter dienstverlening.
Hoewel de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaarde, ontbrak in de uitspraak een gedetailleerde omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering werd toegestaan. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis uitsluitend om dit verzuim te herstellen en gaf zelf een feitelijke omschrijving conform het Duitse vonnis. Voor het overige werd het beroep verworpen, waarmee de uitlevering bevestigd bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de uitlevering en vernietigt het vonnis alleen wegens het ontbreken van een feitelijke omschrijving.