ECLI:NL:PHR:2002:AE4249

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00739/01 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1, tweede lid, SrArt. 12:1 ArbeidstijdenwetArt. 12:14 ArbeidstijdenwetArt. 5:12, tweede lid, ArbeidstijdenwetRijtijdenwet 1936
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing overgangsregeling Arbeidstijdenwet bij overtredingen Rijtijdenwet

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker is veroordeeld voor meerdere overtredingen van de Rijtijdenwet 1936. Verzoeker stelde dat de nieuwe Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer, die de Rijtijdenwet vervangen, gunstiger zijn en derhalve van toepassing zouden moeten zijn op de feiten.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van de overgangsregeling in artikel 12:14, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet de Rijtijdenwet 1936 blijft gelden voor feiten begaan tot drie jaar na publicatie van de Arbeidstijdenwet, of totdat de algemene maatregel van bestuur (het Arbeidstijdenbesluit vervoer) in werking treedt. Aangezien het Arbeidstijdenbesluit vervoer pas op 1 april 1998 in werking is getreden, blijven de feiten uit 1996 onder de Rijtijdenwet vallen.

Het cassatiemiddel faalt omdat het de overgangsregeling miskent. De Hoge Raad ziet geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en verwerpt het beroep. De uitspraak bevestigt de geldigheid van de overgangsregeling en de toepasselijkheid van de Rijtijdenwet op feiten begaan vóór de inwerkingtreding van het nieuwe besluit.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Rijtijdenwet 1936 blijft van toepassing op de feiten uit 1996.

Conclusie

Nr. 00739/01 E
Mr Jörg
Zitting 4 juni 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 14 november 2000 wegens een aantal overtredingen van de Rijtijdenwet 1936 veroordeeld tot dertien boetes van f 1500, drie boetes van f 1000, één boete van f 600, twee boetes van f 300, één boete van f 150 en twee boetes van f 100.
2. Namens verzoeker heeft mr J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bepleit dat in de Arbeidstijdenwet en in het Arbeidstijdenbesluit vervoer, die in de plaats zijn getreden van de Rijtijdenwet 1936 en het Rijtijdenbesluit, sprake is van gewijzigde opvattingen over de aansprakelijheidsverdeling tussen werkgever en werknemer omtrent het misbruik van controlemiddelen. Nu deze gewijzigde opvatting de strafwaardigheid van verzoeker ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 2 a tot en met m betreft en de nieuwe bepalingen voor verzoeker gunstiger zijn, dienen deze op grond artikel 1, tweede lid, Sr te worden toegepast, aldus het middel. Een en ander zou tot
ontslag van rechtsvervolging ten aanzien van die feiten moeten leiden.
4. De steller van het middel vraagt naar de hem bekende weg, aangezien hij reeds eerder dit punt heeft proberen te scoren bij de Hoge Raad (HR 5 oktober 1999, NJ 1999, 804, eerste middel). Ik leg opnieuw uit waarom het middel niet opgaat.
5. De onder 2 a tot en met m bewezenverklaarde feiten zijn begaan in of omstreeks de periode 2 november 1996 tot en met 1 december 1996. Ingevolge de overgangsregeling van artikel 12:14, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet blijft de Rijtijdenwet 1936 van toepassing op feiten als de onderhavige begaan tot drie jaar na publicatie in het Staatsblad van de Arbeidstijdenwet (dit was: 23 november 1995) of, indien dit korter is, totdat de algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet in werking is getreden. Nu deze algemene maatregel van bestuur, het Arbeidstijdenbesluit vervoer, in werking is getreden op 1 april 1998 (Stb. 1998, 125) blijft de Rijtijdenwet 1936 van toepassing op feiten begaan voor die datum (HR NJ 1999, 804). Het middel miskent het bestaan van deze overgangsregeling.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG