ECLI:NL:PHR:2002:AE3566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank in uitleveringsprocedure en voorlopige aanhouding
De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten en wees het verzoek tot gevangenhouding af. De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 20 van Pro de Uitleveringswet, waarbij zij de plaats van aanhouding als beslissend beschouwde voor haar bevoegdheid.
De officier van justitie stelde dat het verzoek aan het parket te 's-Gravenhage was gedaan omdat het feitencomplex voortkwam uit een eerder rechtshulpverzoek van Duitsland en omdat een van de betrokken personen in dat arrondissement verbleef. De rechtbank verwierp dit en oordeelde dat de eerdere betrokkenheid van de officier van justitie niet gericht was op de uitlevering ten behoeve van de Verenigde Staten.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had over de toepasselijkheid van artikel 20 Uw Pro en dat de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevindt op het moment van overhandiging van het uitleveringsverzoek beslissend is, niet de plaats van aanhouding. De rechtbank had moeten vaststellen dat de officier van justitie te 's-Gravenhage reeds bij de zaak betrokken was en dus bevoegd was.
Het beroep in cassatie tegen de beslissing tot afwijzing van de gevangenhouding is niet-ontvankelijk omdat cassatie niet openstaat tegen dergelijke beslissingen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de onbevoegdverklaring betreft en zal de zaak terugverwijzen om te onderzoeken of het uitleveringsverzoek toelaatbaar is.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover de rechtbank zich onbevoegd verklaarde en het cassatieberoep tegen de gevangenhouding wordt niet-ontvankelijk verklaard.