ECLI:NL:PHR:2002:AE3563
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de relatieve bevoegdheid bij uitleveringsverzoek en voorlopige aanhouding
De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten en wees het verzoek tot gevangenhouding af. De rechtbank baseerde haar oordeel op de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevond bij aanvang van de uitleveringsprocedure en de interpretatie van artikel 20 van Pro de Uitleveringswet.
De officier van justitie stelde dat de rechtbank te 's-Gravenhage wel bevoegd was omdat het verzoek tot voorlopige aanhouding door het Amerikaanse ministerie van Justitie via het Nederlandse ministerie bij het parket te 's-Gravenhage was ingediend en de opgeëiste persoon daar ook in voorlopige hechtenis was genomen. De rechtbank verwierp dit, stellende dat de bevoegdheid uitsluitend afhangt van de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevindt bij het begin van de procedure.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de plaats van aanhouding als beslissend te zien. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verklaart het cassatieberoep tegen de beslissing tot gevangenhouding niet-ontvankelijk, omdat cassatie tegen dergelijke beslissingen niet openstaat. De Hoge Raad zal de zaak terugverwijzen om de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek te onderzoeken.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd voor het onbevoegdheidsbesluit en het cassatieberoep tegen de gevangenhouding wordt niet-ontvankelijk verklaard.