ECLI:NL:PHR:2002:AE3561
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij uitleveringsverzoek en voorlopige aanhouding
De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten en wees het verzoek tot gevangenhouding af. De rechtbank baseerde haar oordeel op het feit dat de voorlopige aanhouding plaatsvond in het arrondissement Amsterdam en dat de opgeëiste persoon zich niet in het arrondissement 's-Gravenhage bevond bij de eerste handeling ter inleiding van de uitleveringsprocedure.
De officier van justitie stelde dat de rechtbank te 's-Gravenhage wel bevoegd was omdat zij uitvoering gaf aan een verzoek tot voorlopige aanhouding van de Verenigde Staten en dat de zaak was aangevangen met een rechtshulpverzoek van Duitsland. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had omtrent de uitleg van artikel 20 van Pro de Uitleveringswet, waarbij beslissend is waar de opgeëiste persoon zich bevindt op het moment van overhandiging van het uitleveringsverzoek door de minister van Justitie.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich onbevoegd verklaarde en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk voor het deel dat betrekking heeft op de gevangenhouding. De Hoge Raad zal de zaak terugverwijzen om te onderzoeken of het uitleveringsverzoek toelaatbaar is, waarbij ook rekening wordt gehouden met het feit dat de opgeëiste persoon mogelijk is gevlucht.
De uitspraak benadrukt dat de regeling van de relatieve competentie in uitleveringszaken niet is bedoeld om forumshopping te voorkomen, maar om te waarborgen dat er altijd een bevoegde rechtbank is en dat niet meerdere rechtbanken tegelijkertijd kennis nemen van hetzelfde verzoek.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd voor het onbevoegdheidsbesluit en het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het deel over gevangenhouding.