ECLI:NL:PHR:2002:AE3548

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03345/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

Verdachte werd op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal en poging daartoe tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde.

In cassatie werd één middel voorgesteld dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak. De Procureur-Generaal concludeerde dat de redelijke termijn was overschreden omdat de zaak pas op 2 april 2002 voor het eerst door de Hoge Raad werd behandeld, meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep op 24 maart 2000.

Hoewel het tijdsverloop tussen het instellen van het cassatieberoep en het inkomen van de stukken ter griffie meer dan acht maanden bedroeg, was dit niet relevant omdat de overschrijding van de redelijke termijn reeds op grond van het totale tijdsverloop was vastgesteld.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en verminderde deze, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen. Er was geen reden voor volledige vernietiging van het arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de straf en vermindert deze wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 03345/00
Mr. Fokkens
Zitting 14 mei 2002
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal en poging tot gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een in het kader daarvan gestelde bijzondere voorwaarde.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld. Alvorens dit middel te bespreken, vermeld ik dat aanvankelijk een middel was voorgesteld dat betrekking had op het ontbreken van een bladzijde houdende de bewijsmiddelen van het arrest van het Hof dat ter griffie van de Hoge Raad was ingekomen en vervolgens aan de raadsman was gezonden. Nadat de raadsman een volledig exemplaar van het arrest was gezonden, heeft hij het betreffende middel ingetrokken en een middel voorgesteld dat voortvloeit uit het ontbreken van die bladzijde (HR 3 oktober 2000, nr. 1441/00/U).
3. Het middel behelst de klacht dat bij de behandeling van de zaak in cassatie de redelijke termijn is overschreden.
4. Het middel baseert de schending van de redelijke termijn hoofdzakelijk op het tijdverloop tussen het instellen van cassatieberoep en het inkomen van de complete stukken ter griffie van de Hoge Raad, waarbij meer dan acht maanden zijn verstreken.
5. Of in de onderhavige zaak de acht-maanden-termijn is overschreden, kan onbesproken blijven nu het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in cassatie reeds om de volgende reden is overschreden. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 2 april 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 2 jaar zijn verstreken na het op 24 maart 2000 instellen van cassatieberoep (HR 11 december 2001, NJ 2002, 85 rov. 4.). Of hiernaast de inzendtermijn is overschreden, is vervolgens niet van belang voor de strafvermindering die moet volgen.
6. Overigens is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, met vermindering daarvan en met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.