ECLI:NL:PHR:2002:AE3548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
Verdachte werd op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal en poging daartoe tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde.
In cassatie werd één middel voorgesteld dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak. De Procureur-Generaal concludeerde dat de redelijke termijn was overschreden omdat de zaak pas op 2 april 2002 voor het eerst door de Hoge Raad werd behandeld, meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep op 24 maart 2000.
Hoewel het tijdsverloop tussen het instellen van het cassatieberoep en het inkomen van de stukken ter griffie meer dan acht maanden bedroeg, was dit niet relevant omdat de overschrijding van de redelijke termijn reeds op grond van het totale tijdsverloop was vastgesteld.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en verminderde deze, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen. Er was geen reden voor volledige vernietiging van het arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de straf en vermindert deze wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.