ECLI:NL:PHR:2002:AE3374
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt echtheid van onderhandse koopovereenkomst en handtekening
Deze civiele zaak betreft een geschil tussen familieleden over de echtheid van een onderhandse koopovereenkomst uit 1978 betreffende een pand. De verweerster stelde dat haar moeder het pand aan haar had verkocht en dit schriftelijk had bevestigd. De eiser, een erfgenaam en executeur testamentair, betwistte de echtheid van zowel de handtekening als de inhoud van deze verklaring.
Het hof oordeelde dat de bewijslast voor de echtheid van de handtekening bij de verweerster lag en dat de bewijslast voor de inhoudelijke valsheid bij de eiser lag. Na een grafologisch deskundigenonderzoek kwam het hof tot de conclusie dat zowel de handtekening als de inhoud van de verklaring authentiek waren. Het cassatieberoep richtte zich tegen deze conclusies.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Hij bevestigde dat het hof de feiten als onweersproken mocht aanmerken en dat het hof terecht het vergelijkingsmateriaal van de deskundigen als relevant beoordeelde. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de bewijslastverdeling hanteerde en dat het niet verplicht was om nader deskundigenonderzoek te gelasten of de eiser toe te laten tot tegenbewijs zonder duidelijke aanwijzingen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere rechtspraak en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat de handtekening en inhoud van de verklaring authentiek zijn, wordt bevestigd.