ECLI:NL:PHR:2002:AE2742

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00718/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor onrechtmatig afvalverwijdering en behandelt termijnoverschrijding

Verdachte is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het zich ontdoen van afvalstoffen afkomstig van XTC-productie buiten een inrichting. Het hof legde een taakstraf van 240 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Tevens wees het hof de civiele vordering van de Provincie Limburg toe en legde een schadevergoedingsmaatregel op.

In cassatie werden twee middelen voorgesteld. Het eerste middel betrof de klacht over de motivering van het hof omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het hof had meegewogen dat verdachte instemde met uitstel van de behandeling tot na afdoening van hoofdverdachten. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet aannemelijk was gemaakt in het geding en dat het hof voldeed aan het verzoek om de termijnoverschrijding in de strafmaat te verwerken.

Het tweede middel betrof het verwijt dat het hof het verweer dat de civiele vordering niet van eenvoudige aard was, ongemotiveerd had verworpen. Dit middel faalde op grond van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

De Hoge Raad deed tevens een ambtshalve opmerking over de wijze waarop het hof het verkorte arrest met bewijsmiddelen had uitgewerkt, waarbij grote stukken tekst met doorhalingen werden gekopieerd. Dit werd als onwenselijk en belemmerend voor de controletaak van de Hoge Raad beschouwd, met het advies aan het hof om deze werkwijze slechts tijdelijk te hanteren.

De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve te vernietigen en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor onrechtmatige afvalverwijdering.

Conclusie

Nr. 00718/01
Mr Jörg
Zitting 7 mei 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 28 september 2000 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens het zich ontdoen van afvalstoffen (van XTC-productie) buiten een inrichting veroordeeld tot het verrichten van 240 uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van zes maanden gevangenisstraf, en tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof de benadeelde partij, de Gemeente Margraten, niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de vordering van de benadeelde partij, de Provincie Limburg, toegewezen, en daarnaast aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd; een en ander in de gebruikelijke alternatieve modus.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.P. Ruysink, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat een klacht over de motivering van het hof om de overschrijding van de redelijke termijn niet met niet-ontvankelijkheid van het OM te sanctioneren. Het hof heeft ten onrechte bij die overweging laten meewegen dat verzoeker ermee heeft ingestemd dat zijn zaak pas in hoger beroep aanhangig zou worden gemaakt op het moment dat de zaken tegen de hoofdverdachten zouden zijn afgedaan.
4. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de motivering van een rechterlijke beslissing aangaande een verweer waarvan uit de processtukken niet blijkt dat het is gevoerd. Het proces-verbaal van de zitting van het hof bevat over de sanctie op de overschrijding van de redelijke termijn slechts het verzoek zulks in de strafmaat te verdisconteren. Het hof heeft gedaan wat werd verzocht.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ongemotiveerd het verweer dat de civiele vordering van de Provincie Limburg niet van eenvoudige aard is, heeft verworpen.
7. Het middel stuit af op HR 17 juni 1997 LJN ZD0758.
8. De middelen falen en lenen zich voor art. 81 RO Pro.
9. Ambtshalve wil ik een opmerking maken over de - overigens door het hof aangekondigde - wijze waarop het hof het verkorte arrest met de bewijsmiddelen heeft uitgewerkt. Die uitwerking bestaat uit een fotokopie van grote lappen tekst uit diverse processen-verbaal met velerlei doorhalingen van verschillende aard. Een dergelijke werkwijze is niet onbekend bij rechtbanken; in casu heeft het hof bij brief aangegeven dat het door problemen bij de griffie tijdelijk tot deze werkwijze is gedwongen. Aan de tijdelijkheid van deze werkwijze zou ik het hof gaarne willen houden, want ik ben van oordeel dat een dergelijke uitwerking in de eerste plaats niet ordentelijk is en in de tweede plaats de controletaak van de Hoge Raad belemmert. Ik bedoel met dit laatste te zeggen, dat bewijsmiddelen die schuins doorgehaalde tekst bevatten niettemin leesbaar blijven en invloed kunnen uitoefenen op het oordeel van de cassatierechter, bijvoorbeeld wanneer het niet doorgehaalde deel van een bewijsmiddel niet helemaal helder is. Een feitenrechter kan zulks zelfs beogen, hetgeen geen pas zou geven. Weliswaar is de Hoge Raad op eigen initiatief achter de papieren muur gaan kijken, maar wanneer een zodanige werkwijze standaard zou worden kan hierin op enig moment wellicht een impliciete uitnodiging worden gelezen om kennis te nemen van ongebruikt maar niettemin onmiddellijk zichtbaar bewijsmateriaal. Ik laat onbesproken dat in casu de tot bewijsmiddel omgevormde fotokopieën van politie-p.v's de namen en enige andere personalia van getuigen, en hun waarnemingen, uitstekend leesbaar laten. Indien Uw Raad het met mij eens is over een structurele onwenselijkheid van deze werkwijze zou het maken van een toekomstgerichte opmerking over de wenselijke inrichting van de bewijsmiddelen in de aanvulling op een verkort arrest die niet kan worden misverstaan aanbevelenswaardig zijn.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden