ECLI:NL:PHR:2002:AE1743
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van voorbedachten rade bij moord met korte beraadtermijn
De zaak betreft een verdachte die is veroordeeld voor moord door het slachtoffer meerdere keren met een hamer op het hoofd te slaan. De verdachte handelde nadat hij kwaad was geworden, zich had aangekleed, een hamer had gepakt en vervolgens terugkeerde naar het slachtoffer om toe te slaan.
Het centrale geschilpunt was of sprake was van voorbedachten rade, gezien de korte tijdsduur tussen het ontstaan van het voornemen en de uitvoering ervan. De Hoge Raad bevestigt dat ook een zeer korte beraadtermijn, van enkele seconden, kan voldoen aan het criterium van voorbedachten rade zoals geformuleerd in eerdere jurisprudentie (HR NJ 2000, 605). Het is niet vereist dat de verdachte zich daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven, maar wel dat er een gelegenheid tot nadenken is geweest.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat de straf van tien jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling passend is. Ook het middel dat klaagt over de strafmotivering wordt verworpen, waarbij wordt benadrukt dat de appelrechter vrij is in zijn motivering en niet gebonden is aan de overwegingen van de eerste aanleg.
De Hoge Raad wijst erop dat het onderscheid tussen moord met voorbedachten rade en doodslag zonder wilsvorming lastig kan zijn, maar dat de aanwezigheid van een korte gelegenheid tot bezinning het strafverzwarende kenmerk van moord kan rechtvaardigen. Het beroep wordt verworpen en de bestreden uitspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor moord met een gevangenisstraf van tien jaar en terbeschikkingstelling.