ECLI:NL:PHR:2002:AE1553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering onbegeleide omgangsregeling wegens vermoedelijk seksueel misbruik door vader
De vader en moeder zijn gescheiden en hebben twee kinderen. De moeder heeft het ouderlijk gezag. Sinds 1996 staan de kinderen onder toezicht van Jeugdzorg vanwege een zwakke gezinssituatie en vermoedens van seksueel misbruik door de vader. Na een periode van begeleide omgang werd in 1999 een onbegeleide omgangsregeling geprobeerd, maar na nieuwe vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag werd dit weer teruggedraaid naar begeleide omgang.
De vader verzocht de rechtbank om een onbegeleide omgangsregeling, maar deze werd afgewezen omdat omgang ernstig nadeel voor de kinderen zou opleveren. Het hof bevestigde dit oordeel na onderzoek van rapporten van het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg en de gezinsvoogd. Het hof wees ook een verzoek tot een nieuw onderzoek af vanwege de belasting voor de kinderen.
De vader stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verzoek terecht als een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling volgens art. 1:377a BW heeft beoordeeld en dat het hof zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd. De klachten van de vader over de rechtsopvatting en motivering faalden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het verzoek tot onbegeleide omgang wordt afgewezen.