ECLI:NL:PHR:2002:AE1540
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering en bewijs rond netto-opbrengst van verkochte woning na beëindiging relatie
De zaak betreft een geschil tussen partijen die een affectieve relatie hadden en samenwoonden. Verweerster kocht tijdens de relatie een woning, ruilde deze voor een andere woning op haar naam en verkocht deze na het beëindigen van de relatie. De netto-opbrengst van de verkoop werd met haar instemming op de rekening van eiser gestort.
Eiser vorderde een bedrag van f 64.000 van verweerster, stellende dat hem dit toekomt vanwege financiering van de aankoop. Verweerster stelde dat zij als eigenares recht had op de opbrengst. De rechtbank gaf eiser de gelegenheid bewijs te leveren dat verweerster akkoord was met betaling aan hem, wat eiser slaagde. Het hof stelde echter dat het ontbreken van een rechtsgrond voor betaling aan eiser betekende dat zijn vordering niet bewezen was.
Het hof wees ook de reconventionele vorderingen van eiser af. Het cassatieberoep van eiser richtte zich tegen het oordeel van het hof, maar faalde omdat het gestelde oogmerk van betaling niet was komen vast te staan en het hof niet verplicht was eiser nader te laten onderbouwen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiser geen recht had op betaling van de netto-opbrengst van de verkochte woning.