ECLI:NL:PHR:2002:AE1116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vertrouwensbeginsel bij extra autokosten in inkomstenbelasting
Belanghebbende, lichamelijk gehandicapt, claimde in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 extra autokosten als buitengewone lasten. De inspecteur wees dit bezwaar af, stellende dat de extra kosten niet hoger waren dan die van niet-invaliden. Voor 1998 werd eenzelfde aftrekpost ingediend en conform aangifte opgelegd zonder correctie.
Het hof oordeelde dat belanghebbende op grond van het niet corrigeren van de aanslag 1998 mocht vertrouwen dat de inspecteur zijn standpunt over 1997 had herzien en positief had bepaald. De inspecteur stelde echter dat de aanslag 1998 automatisch was verwerkt zonder inhoudelijke beoordeling.
De Hoge Raad stelt dat voor een rechtens te honoreren vertrouwen meer vereist is dan het volgen van een aangifte; er moet sprake zijn van een weloverwogen standpuntbepaling. De inspecteur is niet gebonden aan een impliciet standpunt door het automatisch volgen van een aangifte in een volgend jaar. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het vertrouwen gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de uitspraak van de inspecteur en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 31.495. Het arrest verduidelijkt de toepassing van het vertrouwensbeginsel in fiscale procedures en benadrukt de noodzaak van een expliciete of weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 31.495 wegens onvoldoende rechtens te honoreren vertrouwen in een impliciete standpuntbepaling van de inspecteur.