ECLI:NL:PHR:2002:AE0655
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gebruik van partijverklaring bij onrechtmatige detentie TBS-gestelde
Eiser, veroordeeld tot gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (TBS), vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie in de periode tussen aanvang TBS en daadwerkelijke opname in een TBS-kliniek. Hij verbleef eerst in een huis van bewaring en later in het Meijers-Instituut en diens dependance. De rechtbank kende een vergoeding toe voor de periode dat eiser langer dan 12 maanden wachtte op plaatsing in een TBS-kliniek, inclusief verblijf in het Meijers-Instituut.
Het hof vernietigde dit vonnis en beperkte de vergoeding tot de periode dat eiser als 'TBS-passant' in het huis van bewaring verbleef, oordelend dat het Meijers-Instituut met dependance formeel een TBS-kliniek was en de behandeling daar niet onrechtmatig was. Het hof baseerde zich mede op een verklaring van een psychiater en hoofd behandeling van de dependance, die ter zitting namens de Staat op vragen van het hof opheldering gaf.
Eiser stelde in cassatie dat het hof deze verklaring niet had mogen gebruiken omdat dit neerkwam op het horen van een getuige zonder de juiste procedure te volgen. De Hoge Raad verwierp dit, overwegende dat het hof de verklaring als partijverklaring en niet als getuigenverklaring heeft behandeld, en dat het de rechter vrijstond om partijen of hun vertegenwoordigers om opheldering te vragen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht de verklaring van de partijvertegenwoordiger gebruiken en het verblijf in het Meijers-Instituut was niet onrechtmatig.