ECLI:NL:PHR:2002:AD9891
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van proforma bezwaar tegen navorderingsaanslag wegens gebrek aan motivering
De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1989 met een verhoging van 100% wegens ernstige fiscale ondernemersfraude door de directeur-enig aandeelhouder van een BV. De Inspecteur stelde vast dat omzet bewust buiten de administratie was gehouden en zwarte lonen werden uitbetaald, hetgeen opzet en fraude opleverde.
De belanghebbende diende een proforma bezwaar in zonder inhoudelijke motivering, ondanks herhaaldelijk uitstel en toezending van het FIOD-proces-verbaal. Het hof verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het uitblijven van motivering, een oordeel dat de Hoge Raad bevestigt.
De Hoge Raad overweegt dat de Inspecteur discretionaire bevoegdheid heeft om niet-ontvankelijkheid uit te spreken bij gebrek aan motivering en dat dit door de rechter kan worden getoetst. De late motivering van de belanghebbende, pas bij repliek voor het hof, komt te laat. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het ontbreken van een strafrechtelijke procedure op het moment van uitspraak de toepassing van art. 6 EVRM Pro niet in de weg staat.
De conclusie is dat het proforma bezwaar onvoldoende is en de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard, waarmee de navorderingsaanslag met verhoging standhoudt.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdige motivering.