ECLI:NL:PHR:2002:AD9350
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking surseance van betaling en faillietverklaring Golden Arches B.V.
Golden Arches B.V. kreeg op 12 september 2001 voorlopig surseance van betaling. De bewindvoerder verzocht op 18 oktober 2001 de surseance in te trekken en faillietverklaring uit te spreken. De rechtbank trok de surseance in en sprak het faillissement uit. Golden Arches ging in hoger beroep, dat werd verworpen, waarna cassatie werd ingesteld bij de Hoge Raad.
Golden Arches stelde dat het hof een verkeerde maatstaf hanteerde voor intrekking van de surseance en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom voortzetting niet mogelijk was. Het hof baseerde zich op art. 242 lid 1 onder Pro 5° Faillissementswet en oordeelde dat geen uitzicht bestond op voldoening van schuldeisers binnen redelijke termijn, mede gelet op de omvang van de schulden en geringe activa.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd en dat de verkoop van het restaurant, inclusief goodwill, niet voldoende was om de schulden te voldoen. De klachten van Golden Arches faalden, ook omdat zij haar waardering van de goodwill niet met bewijs had onderbouwd. Het subsidiaire verzoek tot benoeming van een andere curator werd eveneens afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Golden Arches B.V. wordt verworpen en het faillissement blijft in stand.