1 Met dien verstande dat de in al. 4 sub d. hierna te omschrijven klacht zo kan worden begrepen, dat die ook betrekking heeft op de voor de dochter van partijen vastgestelde alimentatie. Om de in al. 13 hierna te bespreken redenen mist deze klacht echter ook in dit verband goede grond.
2 Het dossier is uitzonderlijk omvangrijk. Het is overigens niet altijd duidelijk wat de portee is van (geding)stukken die aan het dossier zijn toegevoegd. De raadsvrouw van de man heeft bij brief van 25 oktober 2001 bericht dat uit praktische overwegingen het procesdossier niet wordt gefourneerd.
3 Deze Commissie is door de rechtbank Amsterdam ingesteld bij tussenbeschikking van 28 mei 1997. Zij had tot taak, kort gezegd, de behoefte van de vrouw en de inkomens- en vermogenspositie van de man te onderzoeken.
4 Cassatierekest p. 8 sub a, nader uitgewerkt op p. 9 t/m 13.
5 Cassatierekest p. 8 sub b, nader uitgewerkt op p. 12, 13 en 14.
6 Cassatierekest p. 9 sub c, in aansluiting hierop uitgewerkt op de p. 9 t/m 13.
7 Cassatierekest p. 14; zoals in voetnoot 1 aangegeven, heeft deze klacht misschien ook betrekking op de alimentatie voor de dochter van partijen; maar is de desbetreffende klacht ook in dat opzicht ongegrond.
8 Cassatierekest p. 9 sub d, nader uitgewerkt op p. 14 en 15.
9 Cassatierekest p. 9 sub e, nader uitgewerkt op p. 14 t/m 16.
10 Cassatierekest p. 9 sub f, nader uitgewerkt op p. 16. Ik merk op dat bij de uitwerking ook (een klacht over) de brutering volgens het belastingstelsel van vóór 1 januari 2001 wordt betrokken.
11 Zie voor recente voorbeelden uit de overvloedige rechtspraak die dit bevestigt: HR 1 februari 2002, zaaknr. R01/082, rov. 3.5; conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 8, "overgenomen" in HR 23 november 2001, JOL 2001, 681; HR 19 oktober 2001, JOL 2001, 548, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, JOL 2001, 103, rov. 3.3; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672, rov. 3 (slot); HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5; HR 4 september 1998, NJ 1998, 827, rov. 3.5 en al. 2.12 t/m 2.16 van de conclusie van A-G Langemeijer voor deze beslissing. Zie ook Asser-De Boer (1998), nr. 620.
12 De grieven I, II, V en VI.
13 Zie o.a. Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep (2001), p. 68 - 76 en Snijders-Wendels, Civiel Appel (1998), nrs. 189 en 244 - 249.
14 Op deze zaak zijn de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals die tot 1 januari jl. luidden van toepassing. Art. 426a Rv. is overigens bij de herziening van het Wetboek niet gewijzigd.
15 Zie hierover Ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, TCR 2001, nr. 4, p. 77 e.v.; en bijvoorbeeld HR 9 november 2001, JOL 2001, 648, rov. 3.3.
16 Dit stuk bevindt zich op een aanzienlijk aantal plaatsen in het procesdossier, o.a. als bijlage 11 bij het appelrekest (van de man).
17 Cassatierekest, p. 12 onderaan.
18 Rov. 4.2.4 - 4.3 van de bestreden beschikking.
19 En zeer uitvoerig had bepleit. Het zwaartepunt van de stellingen van de vrouw in appel betreft, zoals al eerder aangestipt, dit aspect van de zaak; terwijl de stellingen van de vrouw in appel in het geheel niet (inhoudelijk) ingingen op de grieven waarmee de man bestreed dat haar behoefte (zo aanzienlijk) zou zijn als door (deskundigen, en in mindere mate ook) de rechtbank was aangenomen.
20 Uit rov. 4.10 blijkt althans dat het hof dit betoog zo heeft begrepen; en dat is (nog daargelaten dat het middel deze uitleg van het hof niet expliciet aanvecht) in het licht van wat namens de vrouw in appel was aangevoerd ook bij uitstek begrijpelijk.
21 Ik houd het er trouwens voor dat ook als zulke gegevens wèl worden aangedragen, de steller van het middel er beter aan doet om ook de berekeningen die hij aan de hand daarvan juist acht, zelf uit te voeren, en het niet te laten bij een uitnodiging aan de rechter om dat te doen. Dat is, ook in dit verband, niet alleen een kwestie van redelijke werkverdeling tussen rechters en justitiabelen, maar ook, en vooral, van eerlijke procesvoering. Als een procespartij de suggestie opwerpt dat zij bij bepaalde berekeningen baat kan hebben, maar niet zelf aangeeft welke uitkomsten zij daarbij op het oog heeft, plaatst zij ook in dit opzicht haar wederpartij, althans in vele gevallen, voor onoverkomelijke en althans onredelijke belemmeringen bij het formuleren van adequaat verweer.
22 Zie bijvoorbeeld p. 12 - 13 en p. 16 van het cassatierekest.