AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over bewijsvereisten bij inschrijving en betaling voor kappersopleiding
In deze zaak staat centraal of tussen eiseres, exploitant van een kappersacademie, en verweerster een overeenkomst is gesloten voor een tweejarige opleiding vakbekwaamheid dameskappen. Verweerster volgde lessen, vulde een standaardinschrijfformulier in en betaalde inschrijfgeld, maar betaalde geen lesgeld. Eiseres vorderde betaling van het lesgeld en ontbond de overeenkomst na wanbetaling.
De kantonrechter veroordeelde verweerster bij verstek, maar verweerster stelde verzet in. De rechtbank verwierp het ontvankelijkheidsverweer van eiseres en oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd dat een specifieke opleidingsovereenkomst was gesloten. Verweerster ontkende de overeenkomst en stelde dat zij slechts lessen volgde voor een ander diploma.
De Hoge Raad bevestigt dat de betekening van het verstekvonnis niet gelijkstaat aan aanvang van tenuitvoerlegging en dat de verzetstermijn correct is toegepast. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het bewijs van de overeenkomst onvoldoende is, mede omdat verweerster een alternatieve verklaring gaf voor haar aanwezigheid bij de lessen. Het feit dat het inschrijfformulier werd ondertekend en inschrijfgeld werd betaald, is onvoldoende om het bestaan van de specifieke opleidingsovereenkomst vast te stellen.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiseres in de kosten, waarmee het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Conclusie
Rolnummer C 00/212 HR
Mr. Bakels
Zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
[Eiseres]
t e g e n
[Verweerster]
1. Feiten en procesverloop
1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of tussen partijen een specifieke opleidingsovereenkomst is gesloten.
1.2 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat [eiseres] een kappersacademie exploiteert en dat [verweerster] als leerling lessen bij haar heeft gevolgd. [Verweerster] heeft daartoe op een standaardinschrijfformulier haar persoonlijke gegevens ingevuld, dit formulier ondertekend en inschrijfgeld betaald.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiseres] in de onderhavige procedure, aanhangig gemaakt voor de kantonrechter te Heerlen, gevorderd dat [verweerster] zou worden veroordeeld een bedrag van f 4 102,36 met rente en kosten aan haar te voldoen. Zij stelde daartoe kort gezegd dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten ingevolge welke [verweerster] bij [eiseres] een tweejarige dagopleiding vakbekwaamheid dameskappen zou volgen, waarvoor per kwartaal f 800,- als lesgeld en f 37,50 voor verbruik van chemische producten was verschuldigd. Omdat [verweerster] ondanks aanmaning in verzuim bleef met betaling, heeft [eiseres] de overeenkomst per 31 januari 1995 ontbonden. Zij verlangt thans voldoening van de verschuldigde gelden met rente en kosten overeenkomstig haar algemene voorwaarden.
Nadat [verweerster] verstek had laten gaan, heeft de kantonrechter haar bij vonnis van 10 maart 1995 overeenkomstig de vordering veroordeeld.
1.4 Dit vonnis is tot drie keer toe, op 4 juni 1995, 25 maart 1997 en 21 april 1997, door een deurwaarder aan [verweerster] niet-in-persoon betekend. Voorts heeft in mei 1996 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en een medewerker van BIS Voerendaal Informatiekantoor, dat was ingeschakeld door het deurwaarderskantoor Jeukens Heerlen, aan wie [eiseres] haar vordering ter incasso had gegeven. In een brief van 24 mei 1996(1) aan deurwaarder Jeukens, heeft BIS als volgt verslag gedaan van dat gesprek:
"[Verweerster] zegt niet te weten een vordering bij deurwaarderskantoor Jeukens te hebben openstaan. Zij zegt contact met uw kantoor te zullen opnemen. (...)"
Op 29 april 1997 heeft [eiseres] het verstekvonnis aan [verweerster] toegestuurd, die het op 1 mei 1997 heeft ontvangen. Op 12 mei 1997 heeft [verweerster] verzet ingesteld tegen dit vonnis.
1.5 [Eiseres] heeft in oppositie primair aangevoerd dat [verweerster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het verzet te laat is ingesteld. In het contact tussen BIS en [verweerster] van mei 1996, ligt immers een daad van bekendheid van laatstgenoemde met de aangevallen tenuitvoerlegging besloten zoals bedoeld in art. 81 lid 1 RvPro (oud); thans art. 143 lid 2 RvPro.(2) Subsidiair heeft [eiseres] haar vordering nader onderbouwd.
[Verweerster] heeft ontkend enig contact met BIS te hebben gehad en heeft voorts betwist de gestelde overeenkomst met [eiseres] te hebben gesloten. De door haar bij [eiseres] gevolgde lessen betroffen de eindfase van een cursus die opleidde tot het bediendendiploma in het dameskappersvak. Deze opleiding had zij al grotendeels gevolgd bij een kappersschool te Sittard, die echter failliet ging. Zij heeft haar opleiding vervolgens voltooid bij [eiseres]. Nadat zij dat diploma had behaald, is zij niet doorgegaan voor het diploma vakbekwaamheid dameskappen, aldus nog steeds [verweerster].
1.6 Bij vonnis van 28 november 1997 heeft de kantonrechter [verweerster] ontheven van de bij verstek tegen haar uitgesproken veroordeling en de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen.
1.7 [Eiseres] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij de rechtbank Maastricht. Met grief I klaagde zij over de verwerping van haar ontvankelijkheidsverweer; de grieven II en III waren gericht tegen de negatieve beslissing van de kantonrechter over de gestelde opleidingsovereenkomst.
Bij tussenvonnis van 17 juni 1999 heeft de rechtbank grief I verworpen en [eiseres] toegelaten tot bewijs van de door haar gestelde overeenkomst. Wat betreft het ontvankelijkheidsverweer overwoog de rechtbank:
"Nog daargelaten dat [verweerster] een gesprek met BIS Voerendaal Informatiekantoor te Voerendaal heeft betwist, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de mededeling in de brief d.d. 24 mei 1996 van BIS aan deurwaarderskantoor Jeukens: "[verweerster] zegt niet te weten een vordering bij deurwaarderskantoor Jeukens te hebben openstaan. Zij zegt contact met uw kantoor te zullen opnemen", niet worden afgeleid dat [verweerster] er van op de hoogte was dat er een verstekvonnis (gewezen op vordering van [eiseres]) tegen haar lag.
De rechtbank beschouwt voormelde brief van BIS en de weergave daarin van een (eventueel) gesprek tussen BIS en [verweerster] niet als "een daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend was" als bedoeld in artikel 81 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering."
1.8 Nadat vijf getuigen waren gehoord en [eiseres] enige stukken ter griffie had gedeponeerd, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 13 april 2000 het bestreden vonnis bekrachtigd.
1.9 [Eiseres] heeft tegen de beide vonnissen van de rechtbank tijdig beroep in cassatie ingesteld.(3) Zij voerde daartoe een middel aan dat uit vier onderdelen bestaat. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. [Eiseres] heeft nog gerepliceerd.
2. Bespreking van het middel
2.1 Onderdeel 1 betreft andermaal het door [eiseres] gevoerde ontvankelijkheidsverweer. De eerste klacht die in het onderdeel ligt besloten, luidt dat de rechtbank in haar tussenvonnis heeft miskend dat [eiseres] zich niet alleen erop heeft beroepen dat [verweerster] al in 1996 met het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis bekend was, maar ook dat zij bekend was met de al aangevangen tenuitvoerlegging.
De klacht mist feitelijke grondslag. Blijkens het onder 1.7 van deze conclusie aangehaalde citaat, heeft de rechtbank het onderhavige verweer immers niet over het hoofd gezien, maar dit expliciet verworpen.
2.2 Het onderdeel stelt verder dat het bestreden vonnis onbegrijpelijk is voorzover de rechtbank het zojuist bedoelde verweer heeft verworpen.
Het onderdeel loopt vast op het feit dat het met de "aangevangen tenuitvoerlegging" blijkbaar doelt op de betekening niet-in-persoon op 4 juli 1995 van het verstekvonnis.(4) Deze betekening kan echter niet worden aangemerkt als een aanvang van de tenuitvoerlegging in de zojuist bedoelde zin. In dit exploit(5) wordt aan [verweerster] een bevel tot betaling gedaan met aanzegging dat bij niet-tijdige voldoening zal worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis door beslaglegging en verkoop van - kort gezegd - haar bezittingen. Uit de formulering van die aanzegging blijkt dat daarin niet een begin van de tenuitvoerlegging van dat vonnis is gelegen, maar slechts een dreiging daarmee.
Bovendien volgt ook uit de strekking van art. 81 lid 1 RvPro (oud) dat de betekening van het onderhavige exploit niet als een begin van tenuitvoerlegging in de hier bedoelde zin mag worden aangemerkt. Door de rechtspraak worden immers hoge eisen(6) gesteld aan een 'daad van bekendheid' in de zin van deze bepaling, zulks tegen het licht van art. 6 EVRMPro en het daarin besloten fundamentele recht om te worden gehoord. Omdat voor de aanvang van de verzettermijn de 'bekendheid met het vonnis' wordt gelijkgesteld 'bekendheid met de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan', moet die tenuitvoerlegging plaatsvinden op een wijze waardoor de veroordeelde voldoende wordt gewaarschuwd dat de tenuitvoerleggende partij pretendeert daartoe het recht te hebben. Van de veroordeelde mag dan immers worden verwacht dat hij naar de grondslag van dat gestelde recht informeert. Aan deze eisen voldoet niet de betekening van een exploit als het onderhavige.
In de literatuur wordt dit impliciet aanvaard door als voorbeeld van tenuitvoerlegging in de hier bedoelde zin te geven dat "de ontruiming is begonnen of er (...) executoriaal beslag (is) gelegd".(7)
Ten slotte kan niet worden aangenomen dat met tenuitvoerlegging in art. 81 lid 1 RvPro (oud) iets anders wordt bedoeld dan in het tweede lid van deze bepaling, waarvoor geldt dat deze "alleen (ziet) op de 'exécution forcée', de executie met behulp van dwangmiddelen".(8)
2.3 Onderdeel 2 komt met een aantal klachten op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.2.1 van haar tussenvonnis dat het bewijsaanbod van [eiseres] van het gesprek tussen BIS en [verweerster], gepasseerd diende te worden. De rechtbank overwoog daartoe dat, ook als dit gesprek zou hebben plaatsgevonden, zulks niet tot een ander oordeel kan leiden over de vraag of laatstgenoemde bekend was met het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan. Het onderdeel geeft een drietal interpretaties van deze overweging: het bewijsaanbod zou volgens de rechtbank niet ter zake dienend zijn, het zou geen betrekking hebben op een daad van bekendheid met de aangevallen tenuitvoerlegging of het zou een verboden prognose inhouden over de uitkomst van de bewijslevering.
Al deze interpretaties zijn m.i. echter onjuist, zodat het onderdeel bij gemis aan feitelijke grondslag buiten behandeling moet blijven. De rechtbank heeft immers klaarblijkelijk geoordeeld dat het bewijsaanbod van [eiseres] te vaag was. Dit oordeel is verre van onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de onder 2.2 (derde alinea) van deze conclusie bedoelde 'hoge eisen' onder meer meebrengen dat als 'daad van bekendheid' in de zin van art. 81 lid 1 RvPro (oud) onvoldoende is dat de veroordeelde het verstekvonnis in ontvangst heeft genomen omdat dit nog niet impliceert dat hij van de inhoud daarvan heeft kennisgenomen. Noodzakelijk is dat de veroordeelde het vonnis of een stuk dat de zakelijke inhoud daarvan weergeeft, heeft gelezen of heeft aangehoord. In elk geval dient hij bekend te zijn met de eiser(s), de vordering, de veroordeling en het gerecht waardoor hij is veroordeeld.(9) Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is geweest.
2.4 Onderdeel 3 klaagt over de waardering in het eindvonnis van het door [eiseres] bijgebrachte bewijs van de grondslag van haar vordering. Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen.
Subonderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 2.2.1 van het eindvonnis. Hierin heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat [eiseres] het van haar verlangde bewijs niet heeft geleverd. Uit de verklaringen van de moeder van [verweerster] en [verweerster] zelf blijkt dat laatstgenoemde op het standaard-inschrijfformulier slechts haar personalia heeft ingevuld en het vervolgens heeft ondertekend. Nu uit de verklaringen van de door [eiseres] voorgebrachte getuigen het tegendeel niet blijkt, moet ervan worden uitgegaan dat de gegevens op het formulier waaruit zou moeten blijken dat tussen partijen de gestelde overeenkomst is totstandgekomen, daarop nog niet aanwezig waren toen [verweerster] dat inschrijfformulier ondertekende, aldus nog steeds de rechtbank.
Volgens het subonderdeel is deze conclusie onbegrijpelijk omdat de redenering van de rechtbank niet uitsluit dat het kruis en/of de overige vermeldingen op het inschrijfformulier door een derde daarop zijn geplaatst voordat [verweerster] het formulier heeft ondertekend.
2.5 De inleiding op de schriftelijke toelichting die namens [eiseres] is gegeven, doet vermoeden dat het zwaartepunt van het cassatieberoep bij dit subonderdeel is gelegen. [Eiseres] stelt:
"1.2 Vooraf zij opgemerkt dat de vordering slechts ziet op een, zeker in verhouding tot de kosten van het voeren van de procedure, gering bedrag. [Eiseres] is zich daarvan bewust, maar acht het niettemin van belang om de procedure in cassatie voort te zetten, mede gelet op het belang van haar bedrijfsvoering bij de verzekerde inning van lesgelden.
Daarbij komt dat de onderhavige problematiek een groter belang heeft dan alleen deze zaak. Een wijze van inschrijving met keuzeformulieren zoals hier aan de orde is, is immers zeer gebruikelijk in het midden- en kleinbedrijf, en komt overigens ook veel voor bij consumentenovereenkomsten met grote bedrijven. Het is dan ook niet onbelangrijk hoe in een dergelijk geval bewezen moet worden dat een overeenkomst is gesloten, en met welke inhoud, met name wanneer partijen vervolgens hebben gehandeld conform het bestaan van een overeenkomst."
En onder 2.9 van de schriftelijke toelichting wordt uiteengezet
"(hoe) men zich (moet) voorstellen hoe inschrijving met een formulier als het onderhavige in de praktijk van alledag gaat. Er komt een klant bij de balie, die wil weten hoe de inschrijving gaat bij de sportschool, zonnestudio of kappersacademie. De werknemer achter de balie laat het formulier zien en legt uit dat er verschillende mogelijkheden zijn. Na enig wikken en wegen kiest de klant voor één van deze mogelijkheden, vult de overige gegevens van het formulier in en ondertekent het. In de daaropvolgende weken keert hij regelmatig terug om gebruik te maken van de diensten waar hij zich voor heeft ingeschreven.
(...)
Het maken van die keuze vereist niet dat de klant eigenhandig een kruis zet. Het is niet ongebruikelijk dat de klant voor de zekerheid vraagt: 'hoe moet ik dit invullen?' De behulpzame baliemedewerker pakt het formulier, zet een kruisje bij de gewenste keuzemogelijkheid, en geeft het formulier terug met het verzoek aan de klant de rest in te vullen."
2.6 Uit de schriftelijke toelichting, met name onder 2.9 daarvan, valt af te leiden dat de steller daarvan zich afvraagt of de leden van de Hoge Raad en zijn parket zich ooit inschrijven bij een sportschool, zonnestudio of kappersacademie en anderszins bekend zijn met "de praktijk van alledag". Daarover zouden ongetwijfeld interessante opmerkingen zijn te maken, maar dat zal ik nu niet doen. Ik volsta ermee [eiseres] en haar advocaat te verzekeren dat aan de leden van de Hoge Raad(10) - voorzover mij bekend - niets menselijks vreemd is, en dat als van algemene bekendheid mag worden aangenomen (dus ook bij de bedoelde leden van de rechterlijke macht) dat het menigmaal voorkomt dat een particulier op bedoelde wijze een contract sluit omtrent een door een ondernemer te verrichten dienst. Om dat te vernemen, had mijns inziens geen cassatie hoeven worden ingesteld.
2.7 De reden waarom [eiseres] in het onderhavige geval niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, is mijns inziens met name het feit dat [verweerster] niet heeft volstaan met een enkele ontkenning van de gestelde overeenkomst, maar een alternatieve verklaring heeft gegeven voor haar aanwezigheid tijdens een aantal door [eiseres] gegeven lessen (namelijk dat zij het bediendendiploma wilde behalen en niet het kennelijk hoger gewaardeerde diploma vakbekwaamheid dameskappen). Onder die omstandigheden diende uit het bewijsmateriaal tevens een weerlegging van dat alternatief te volgen. Hoewel het door [eiseres] bijgebrachte bewijsmateriaal daarvoor zeker elementen bevat(11), heeft de rechtbank die kennelijk onvoldoende zwaarwegend geacht om tot een ander oordeel te komen.
2.8 Na deze (té) uitvoerige uiteenzetting kan ik kort zijn over het subonderdeel. Dit kan geen doel treffen. Voorzover het een mogelijkheid oppert die in de feitelijke instanties niet is verdedigd, impliceert het een ongeoorloofd novum in cassatie. Voorzover het uitsluitend ertoe strekt een gat te schieten in de juridische redenering van de rechtbank, faalt het omdat de rechter niet is gehouden te oordelen over theoretische mogelijkheden waarvan in het concrete geval in de feitelijke instanties niet is aangevoerd dat zij zich hebben voorgedaan.
2.9 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen rov. 2.2.2, waarin de rechtbank heeft overwogen:
"Dat [verweerster] met het ondertekenen van het inschrijfformulier met [eiseres] een overeenkomst heeft willen aangaan tot het volgen van de tweejarige opleiding vakbekwaamheid dameskappen tegen een prijs van - in totaal - f 837,50 per kwartaal is daarmee niet komen vast te staan."
Het subonderdeel bouwt voort op subonderdeel 3.1 en/of herhaalt in de kern de daardoor reeds voorgedragen klacht. Het moet dus in het lot daarvan delen.
2.10 Subonderdeel 3.3 is gebaseerd op de veronderstelling dat de rechtbank in rov. 2.2.2 heeft geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat [verweerster] met het ondertekenen van het inschrijfformulier een overeenkomst heeft willen aangaan. Het bestrijdt deze - aldus uitgelegde - overweging met als argument dat een overeenkomst onder omstandigheden zoals de onderhavige ook tot stand kan komen op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij, [eiseres].
2.11 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in de bestreden overweging de twee-eenheid van de artikelen 3:33 en -35 BW niet miskend. Zij heeft daarin slechts verwezen naar de formulering van de bij tussenvonnis aan [eiseres] gegeven bewijsopdracht. Rov. 2.2.2 betekent dan ook niet méér of anders, dan dat het van [eiseres] verlangde bewijs door haar niet is geleverd, zoals de rechtbank ook al in rov. 2.2 had overwogen.
2.12 Subonderdeel 3.4 is gericht tegen de rov. 2.2-2.2.3. Het valt uiteen in een aantal afzonderlijk te bespreken klachten. De eerste klacht is een herhaling van subonderdeel 3.3. Zij vindt dus haar weerlegging in het vorenstaande.
2.13 De daarop volgende klachten houden kort gezegd in dat het bewijsoordeel van de rechtbank niet naar behoren is gemotiveerd in het licht van de omstandigheden dat [verweerster] het inschrijfformulier heeft ondertekend, inschrijfgeld heeft betaald en een aantal lessen heeft gevolgd, in het licht van hetgeen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is en de verkeersopvattingen dienaangaande.
De klacht stuit af op hetgeen onder 2.7 van deze conclusie is opgemerkt. Hoewel de rechtbank op grond van het voorhanden bewijsmaatregel ook tot een ander oordeel had kunnen komen, kan mijns inziens niet worden gezegd dat haar feitelijke oordeel onbegrijpelijk is. Nadere motivering daarvan was niet nodig.
2.14 Subonderdeel 3.5 is gebaseerd op de veronderstelling dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat tussen partijen in het geheel geen overeenkomst tot stand is gekomen. In dat geval is de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden omdat het partijdebat slechts de vraag betrof welke overeenkomst tussen partijen is gesloten.
2.15 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Zoals eerder opgemerkt heeft de rechtbank in rov. 2.2-2.2.3 niets anders overwogen dan dat de door [eiseres] gestelde overeenkomst door haar niet is bewezen.
2.16 Onderdeel 4 is gericht tegen de concluderende overweging 2.4 van het eindvonnis, waarin de rechtbank overweegt dat "al het vorenstaande" meebrengt dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Volgens het onderdeel is deze overweging onjuist omdat de rechtbank, zo nodig ambtshalve, had moeten onderzoeken of [verweerster] betaling verschuldigd was uit hoofde van een andere overeenkomst dan door [eiseres] gesteld of op grond van het volgen van enige lessen.
2.17 Het is waar dat [eiseres] op de door het onderdeel genoemde plaatsen(12) mede heeft gesteld dat [verweerster] in elk geval een aantal lessen bij haar heeft gevolgd en daarvoor nimmer enige betaling heeft gedaan, anders dan het verschuldigde inschrijfgeld. En het spreekt inderdaad vanzelf dat [verweerster], die zich bij een commerciële instelling inschreef om de noodzakelijke lessen te volgen teneinde het door haar begeerde diploma te behalen, daarvoor betaling is verschuldigd. Toch hoefde de rechtbank daarop niet in te gaan omdat de procedure en meer in het bijzonder de stellingen van [eiseres] zelf zich hebben geconcentreerd op het standpunt dat [verweerster] aan [eiseres] de kosten voor de opleiding voor het diploma dameskappen was verschuldigd. [Eiseres] heeft geen subsidiaire vordering ingesteld; evenmin is van haar kant enige specificatie gegeven van de bedragen die voor het volgen van de lessen voor het bediendendiploma zouden zijn verschuldigd. Onder deze omstandigheden was de rechtbank niet gehouden, mede gelet op het gevorderde stadium waarin de procedure verkeerde en de noodzaak het proces binnen een redelijke termijn tot een einde te brengen, [eiseres] ambtshalve in de gelegenheid te stellen op dit punt de van haar te verlangen specificatie en onderbouwing alsnog te verschaffen.
Het onderdeel mislukt.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiseres] in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Productie 1 bij memorie van grieven.
2 Ingevolge artikel VII, lid 1van de Wet van 6 december 2001, Staatsblad 2001, 580, blijft ten aanzien van de verdere behandeling door de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn (1 januari 2002), het recht zoals het gold voor die datum van toepassing.
3 De cassatiedagvaarding dateert van 7 juli 2000.
4 Evenzo MvG blz. 3 bovenaan.
5 Productie 1 bij de conclusie van antwoord in oppositie.
6 Zie hierover onder 2.3 (slot) van deze conclusie.
7 Losbl. Rv (Asser), aant. 9 bij art. 81.
8 M. Ynzonides, Verstek en verzet, dissertatie 1996, blz. 153.
9 Zie voor dit alles Losbl. Rv (Asser), aant. 8 en 9 bij art. 81 RvPro, alwaar verdere verwijzingen.
10 Veilig mag worden aangenomen dat hetzelfde geldt voor de leden van de rechtbank Maastricht.
11 Met name dat [verweerster] ook nog lessen heeft gevolgd nadat zij haar bediendendiploma had behaald en dat zij verrichtingen heeft geoefend die niet voor het bediendendiploma worden geëxamineerd, maar slechts voor het diploma vakbekwaamheid dameskappen.