ECLI:NL:PHR:2002:AD9329

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/161HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 251 WvK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep op verzwijging tegenover derde-houder van verzekeringscertificaat aan toonder

Marywood sloot in december 1993 een verkoopovereenkomst met een Moskouse koper en schakelde voor het vervoer Seahopper Containerlines en Traconro Europe in. De lading vleeswaren bereikte Moskou pas in juni 1994 en was toen bedorven. Seahopper ging failliet en reageerde niet op aansprakelijkheidsstellingen. Marywood betaalde de koper terug en vorderde vergoeding van de verzekeraar Zürich op grond van een goederentransportverzekering waarvoor een assurantiecertificaat aan toonder was afgegeven.

De rechtbank wees de vordering af omdat het risico op de koper was overgegaan, maar dit werd in hoger beroep niet meer betwist. Het hof oordeelde dat het certificaat een waardepapier is en dat een derde-houder te goeder trouw daarop moet kunnen vertrouwen, zodat de verzekeraar zich niet kan beroepen op verzwijging door de verzekeringnemer.

Zürich stelde in cassatie dat zij zich wel op verzwijging kon beroepen, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde dat de houder van het certificaat beschermd is tegen dergelijke verweren. De vordering van Marywood werd daarmee gegrond verklaard en Zürich werd in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Zürich wordt verworpen en de vordering van Marywood wordt bevestigd.

Conclusie

Rolnummer C00/161
Mr Bakels
Zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
Zürich Verzekeringen
tegen
Marywood Management Ltd
1. Feiten en procesverloop
1.1In deze zaak stelt onderdeel I de vraag aan de orde of een verzekeraar met succes een beroep kan doen op verzwijging, zoals geregeld in art. 251 K, tegenover een derde-houder te goeder trouw van een verzekeringscertificaat aan toonder. Onderdeel II betreft de vraag of het in het geding zijnde verzekeringscertificaat kan worden aangemerkt als een waardepapier.
1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(a) Marywood heeft in december 1993 een overeenkomst gesloten met Vikiki(1) Produtovaya Magasin te Moskou, waarbij zij aan Vikiki salami en schouderham heeft verkocht ter waarde van US $ 91.050,=.
(b) Voor het vervoer van de vleeswaren heeft Marywood Seahopper Containerlines B.V. en Traconro Europe B.V., beiden gevestigd te Rotterdam, ingeschakeld. Tussen Seahopper en Traconro enerzijds en Marywood anderzijds is overeengekomen dat de vleeswaren, die waren opgeslagen in een trailer, op 16 december 1993 zouden worden ingeladen en vervolgens zouden worden vervoerd over de weg en over zee, via het traject Brussel-Gouda-Kiel-Klaipeda-Moskou.
(c) De trailer heeft Moskou pas op 3 juni 1994 bereikt. De etenswaren bleken toen bedorven te zijn zodat de lading waardeloos was geworden.
(d) Seahopper is begin juli 1994 in staat van faillissement verklaard. Zij heeft niet gereageerd op aansprakelijkheidsstellingen door Marywood.
(e) Vikiki heeft Marywood aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en Marywood aangesproken tot terugbetaling van het door haar voldane bedrag van US $ 91.050,= vermeerderd met rente en kosten, waaraan Marywood gevolg heeft gegeven.
(f) Seahopper en Traconro hebben, door bemiddeling van ABN-Amro verzekeringen B.V. te Zwolle, in 1992 als verzekeringnemer onder meer een goederentransportverzekering gesloten waarin Zürich voor 2% deelnam. Op deze polis geldt als verzekerde "aan wie het zou blijken aan te gaan". Deze verzekering dekt - kort gezegd - tegen verlies en schade.
(g) Op grond van deze transportverzekering is aan Marywood op 16 december 1993 een assurantiecertificaat aan toonder afgegeven voor een verzekerd bedrag van US $ 75.000,= voor het vervoer van de etenswaren over het traject Brussel - Moskou.
(h) Marywood heeft op 21 april 1994 het originele verzekeringscertificaat aan ABN-Amro verzekeringen toegezonden met het verzoek om de door haar geleden schade te doen vergoeden.
(i) De assuradeuren, waaronder Zürich, weigeren tot uitkering over te gaan. Tussen hen en Marywood is afgesproken dat de overige assuradeuren zich jegens Marywood aan de uitkomst in de procedure tussen haar en Zürich gebonden zullen achten.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft Marywood de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Den Haag en gevorderd dat Zürich zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van 25% van het bedrag van US$ 75.000,=, zijnde US$ 18.750, vermeerderd met de wettelijke rente en 25% van de buitengerechtelijke incassokosten.
Zij stelde zich daartoe op het standpunt dat zij door het bederven van de vleeswaren schade heeft geleden, welke gedekt is onder de op het assurantiecertificaat genoemde verzekering. Als houdster van het certificaat kan zij mitsdien aanspraak maken op de schadepenningen.
1.4 Zürich heeft de vorderingen van Marywood gemotiveerd betwist. Zij heeft zich daartoe primair op het standpunt gesteld dat Marywood geen verzekerd belang (meer) had bij de lading, omdat deze voor risico van de koper, Vikiki, is vervoerd. Daarnaast heeft Zürich zich beroepen op verzwijging omdat Traconro / Seahopper bij het aangaan van de onder 1.2(f) genoemde verzekeringsovereenkomst relevante informatie zouden hebben verzwegen, met name over het (faillissements)verleden van [betrokkene A], de man die Traconro beheerste, alsmede over de werkwijze van Traconro, haar personeel, vertegenwoordigers, materieel en samenwerkingsverbanden.
1.5 Bij vonnis van 30 oktober 1996 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de vorderingen van Marywood afgewezen. Zij overwoog daartoe dat het risico van de zending op Vikiki is overgegaan bij de inlading, zodat het verzekerde belang daarna niet langer bij Marywood berustte. Deze beslissing komt in cassatie echter niet meer aan de orde. Wél aan de orde komt het verweer van Zürich, dat zij in verhouding tot de verzekeringnemer, Traconro / Seahopper, een beroep op art. 251 K kan doen, welk beroep Marywood zich moet laten welgevallen, ook al was zij van de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet op de hoogte en ook al kan zij worden beschouwd als derde-houder van een toondercertificaat te goeder trouw. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Zij overwoog daartoe dat het certificaat aan te merken is als een waardepapier en dat het certificaat als afgeleide van de transportverzekering met de clausule "aan wie het zou blijken aan te gaan" voor de houder ervan dezelfde rechtsgevolgen heeft als een toonderpolis. Een verzekeraar kan zich tegenover de derde-houder van een polis aan toonder niet beroepen op hetgeen de verzekeringnemer mocht hebben verzwegen.
1.6 Tegen dit vonnis heeft Marywood appel ingesteld bij het hof te 's-Gravenhage. Zürich heeft incidenteel appel ingesteld ten aanzien van de verwerping van haar beroep op verzwijging. Het hof heeft bij arrest van 15 februari 2000 zowel in het principale als in het incidentele appel de grieven verworpen en het vonnis in eerste aanleg onder verbetering van gronden bekrachtigd.
Ten aanzien van het beroep op verzwijging overwoog het hof dat het toonder-certificaat, waarop als zodanig Marywood mocht afgaan, de onderhavige goederentransportverzekering belichaamt. Zo'n certificaat geldt als een waardepapier. Immers het certificaat is eenvoudig overdraagbaar, geldt als bewijs van verzekering en legitimeert de houder ervan, na plaatsgrijpen van het evenement, als verzekerde en gerechtigde tot uitkering onder de polis, zonder dat daarvoor overdracht van de daaronder liggende polis vereist is.
De aard van het certificaat als waardepapier brengt met zich mee dat de houder te goeder trouw daarvan moet kunnen afgaan op hetgeen hij op grond van dit stuk kan waarnemen en kennen, zodat hem niet kan worden tegengeworpen wat voor hem uit het papier niet kenbaar is of kan zijn, zoals in casu in hoeverre ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst de verzekeringnemer feiten tegenover verzekeraar heeft verzwegen die van belang zijn voor de inschatting van het te verzekeren risico en de acceptatie daarvan.
1.7 Tegen dit arrest heeft Zürich - hoewel materieel in het gelijk gesteld - op de laatst mogelijke dag cassatieberoep ingesteld.(2) Tegen Marywood is verstek verleend. Zürich heeft de zaak door haar advocaat schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel faalt in al zijn (sub)onderdelen op de gronden die ik heb uiteengezet in mijn heden genomen conclusie in de parallelzaak met rolnummer C 01/041. Ik verwijs naar die conclusie, die hier als ingevoegd geldt.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Zürich in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Van de zijde van Zürich is opgemerkt dat de naam Vikiki op een misverstand berust; de juiste naam zou Vikki luiden. Ik twijfel niet aan de juistheid van deze opmerking maar houd niettemin de door de rechtbank en het hof gebezigde naam aan.
2 De cassatiedagvaarding dateert van 15 mei 2000.