ECLI:NL:PHR:2002:AD8950
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslast en procesrecht in ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel
Deze zaak betreft een ontnemingsvordering gericht op het wederrechtelijk verkregen voordeel uit bewezenverklaarde opzetheling en oplichting, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof over de bewijslast en het horen van getuigen toetst.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan de veroordeelde is om concreet en gemotiveerd aan te tonen dat de aannames en berekeningsmethoden van het financieel onderzoek onjuist zijn. In plaats daarvan is het de taak van de rechter om te beoordelen of de berekening een deugdelijke grondslag vormt. Het criterium voor het al dan niet horen van getuigen is of de veroordeelde door het achterwege blijven daarvan redelijkerwijs in zijn verdediging kan worden geschaad.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd bij de afwijzing van verzoeken tot het horen van getuigen, omdat het niet aannemelijk werd gemaakt dat de veroordeelde door het niet horen van deze getuigen in zijn verdediging werd geschaad. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling van het hoger beroep.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijslastverdeling en procesrechtelijke waarborgen in ontnemingszaken, waarbij het bewijscriterium de aannemelijkheid is en de rechter een actieve rol heeft in de beoordeling van de financiële rapportages en de noodzaak van getuigenverhoor.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.