ECLI:NL:PHR:2002:AD8737
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken vergunning en bewijs voor inwerking hebben inrichting gevaarlijke afvalstoffen
Verdachte nam de activa over van een bedrijf met een milieuvergunning, maar beschikte zelf niet over een vergunning voor het opslaan en verwerken van gevaarlijke afvalstoffen. Tijdens de overgangsperiode beschikte verdachte over een gedoogbeschikking die het voortzetten van de bedrijfsvoering mogelijk maakte. Het hof stelde dat deze gedoogbeschikking formeel gelijkgesteld kon worden aan een vergunning en sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde zonder vergunning handelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door de gedoogbeschikking gelijk te stellen aan een vergunning, aangezien vaste jurisprudentie en literatuur dit niet ondersteunen. Desondanks bleef de vrijspraak in stand omdat het hof ook oordeelde dat niet bewezen was dat verdachte in de tenlastegelegde periode een inrichting voor gevaarlijke afvalstoffen in werking had gehad.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie die stelden dat het hof het begrip 'in werking hebben van een inrichting' verkeerd had uitgelegd en dat het onderzoek onvoldoende was. De ratio van de vergunningsplicht is dat activiteiten pas mogen plaatsvinden na vergunningverlening, en het ontbreken van bewijs van gevaarlijke stoffen in de inrichting leidde tot vrijspraak. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en handhaaft de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van vergunningloos in werking hebben van de inrichting.