ECLI:NL:PHR:2002:AD8195

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/098
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt alimentatieplicht man na echtscheiding met aanpassing draagkracht

Partijen zijn in 1989 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd en in 1999 gescheiden. De vrouw kreeg een voorlopige alimentatiebijdrage toegekend van ƒ 3.500 per maand. Zij verzocht om verhoging naar ƒ 6.500 per maand, maar de rechtbank stelde dit definitief vast op ƒ 3.500 per maand.

De vrouw ging in hoger beroep en stelde dat de draagkracht van de man onjuist was berekend, met name door de volledige hypotheeklasten mee te rekenen. Het hof oordeelde dat slechts een deel van de hypotheeklasten in aanmerking kon worden genomen en stelde de alimentatie vast op ƒ 3.500 per maand vanaf 9 november 1999, met een verlaging naar ƒ 3.000 per maand vanaf 1 juni 2003 vanwege een verwachte toename van het rendement op het vermogen van de vrouw.

De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel over de draagkracht van de man en de hoogte van de alimentatie op begrijpelijke wijze had gemotiveerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk of tegenstrijdig was. Het cassatieberoep faalt daarom.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de alimentatieverplichting van de man wordt bevestigd.

Conclusie

Rek.nr. R01/098
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 11 januari 2002
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
1. Feiten en procesverloop(1)
Partijen zijn op 2 september 1989 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 februari 1999 is onder meer tussen hen de echtscheiding uitgesproken en is aan de vrouw ten laste van de man een voorlopige bijdrage in het levensonderhoud toegekend van ƒ 3.500,-- per maand.
De vrouw heeft bij verzoekschrift van 8 november 1999 de definitieve vaststelling van de aan haar te betalen alimentatie verzocht op een bedrag van ƒ 6.500,-- per maand met ingang van 29 juni 1999. Bij beschikking van 16 mei 2000 heeft de rechtbank deze door de man te betalen bijdrage definitief bepaald op ƒ 3.500,-- per maand met ingang van 9 november 1999, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw is op 14 juli 2000 in hoger beroep gekomen van deze beschikking bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij - voor zover in cassatie van belang - aangevoerd dat de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man ten onrechte geheel rekening heeft gehouden met de door de man opgevoerde woonlasten, bestaande uit hypotheekrente van ƒ 4.500,-- bruto per maand en ƒ 500,-- premie levensverzekering. Zij heeft het hof verzocht de alimentatie vanaf 9 november 1999 vast te stellen op ƒ 6.335,-- bruto per maand(2).
1.4 De man heeft incidenteel geappelleerd en verzocht de bijdrage voor de vrouw te bepalen op ƒ 3.000,-- per maand.
1.5 Nadat op 15 december 2000 een mondelinge behandeling heeft plaatsgehad, heeft het hof bij beschikking van 6 juni 2001 geoordeeld dat de man met ingang van 9 november 1999 ƒ 3.500,-- aan de vrouw dient te betalen en vanaf 1 juni 2003 ƒ 3.000,-- per maand. Om die reden heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd met ingang van 1 juni 2003 voor zover daarbij aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud is bepaald van ƒ 3.500,-- per maand. Voorts heeft het hof de door de man met ingang van 1 juni 2003 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.365,-- per maand bepaald, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
1.6 Bij verzoekschrift van 4 augustus 2001 heeft de vrouw tegen deze beschikking tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. De man is niet verschenen.
2. Bespreking van het middel
Het middel klaagt dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk en/of tegenstrijdig is dan wel dat er sprake is van een kennelijke vergissing, daar de beslissing van het hof niet aansluit bij de motivering. Volgens het middel heeft het hof nagelaten om bij zijn beslissing rekening te houden met de gecorrigeerde hypotheeklast alsmede met het wegvallen van de verwervingskosten.
Het hof heeft in rechtsoverweging 6 overwogen dat in geschil zijn de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
Ten aanzien van de behoefte van de vrouw heeft het hof in rechtsoverweging 7 geoordeeld dat deze bestaat, maar dat de vrouw op termijn - het hof denkt aan 1 à 2 jaar - meer rendement uit haar vermogen kan genereren zodat haar behoefte met ingang van 1 juni 2003 met ƒ 500,-- wordt verlaagd.
Met betrekking tot de draagkracht van de man is het hof in rechtsoverweging 8 van oordeel dat in redelijkheid niet met de gehele hypotheeklast van de man rekening kan worden gehouden, maar slechts voor een bedrag van ƒ 3.000,--. In zoverre wordt de eerste grief van de vrouw tegen de beschikking van de rechtbank gegrond bevonden.
2.4 Het middel gaat echter uit van een te beperkte lezing van de beschikking van het hof waar het aan deze gegrondbevinding de gevolgtrekking verbindt dat dan ook de alimentatie voor de vrouw zou moeten worden verhoogd. Het hof beoordeelt namelijk in rechtsoverweging 12 opnieuw de alimentatieverplichting van de man en wel als volgt:
"Op grond van het vorenstaande en gelet op de verhouding tussen de inkomens van de partijen en hun vrij besteedbare draagkracht is het hof van oordeel dat de man met ingang van 9 november 1999 ƒ 3.500,-- per maand aan de vrouw dient te betalen en vanaf 1 juni 2003 ƒ 3.000,--, afgerond € 1.365,-- per maand."
2.5 Dit oordeel omtrent de vaststelling van de hoogte van de alimentatie is voorbehouden aan het oordeel van het hof en is niet onbegrijpelijk. Het hof betrekt immers zowel de inkomens van partijen als hun beider draagkracht in zijn oordeel.
Het middel faalt derhalve.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie de beschikking van het hof te 's-Gravenhage van 6 juni 2001.
2 Verzoekschrift in hoger beroep, blz. 9.
3 Het verzoekschrift is op 6 augustus 2001 ontvangen.