ECLI:NL:PHR:2002:AD8195
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt alimentatieplicht man na echtscheiding met aanpassing draagkracht
Partijen zijn in 1989 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd en in 1999 gescheiden. De vrouw kreeg een voorlopige alimentatiebijdrage toegekend van ƒ 3.500 per maand. Zij verzocht om verhoging naar ƒ 6.500 per maand, maar de rechtbank stelde dit definitief vast op ƒ 3.500 per maand.
De vrouw ging in hoger beroep en stelde dat de draagkracht van de man onjuist was berekend, met name door de volledige hypotheeklasten mee te rekenen. Het hof oordeelde dat slechts een deel van de hypotheeklasten in aanmerking kon worden genomen en stelde de alimentatie vast op ƒ 3.500 per maand vanaf 9 november 1999, met een verlaging naar ƒ 3.000 per maand vanaf 1 juni 2003 vanwege een verwachte toename van het rendement op het vermogen van de vrouw.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel over de draagkracht van de man en de hoogte van de alimentatie op begrijpelijke wijze had gemotiveerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk of tegenstrijdig was. Het cassatieberoep faalt daarom.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de alimentatieverplichting van de man wordt bevestigd.