ECLI:NL:PHR:2002:AD8187

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/102HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:23 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid verkoper voor gebrekkige open haard en verwerpt verjaringsverweer

In deze zaak kochten de verweerders een huis van eiseres, waarin een open haard aanwezig was. Tijdens de bezichtiging had de echtgenoot van eiseres, betrokkene A, bevestigd dat de open haard goed functioneerde. Na de overdracht ontstonden rookklachten door de open haard, waarna verweerders de verkoper aansprakelijk stelden voor herstelkosten.

De rechtbank wees de vordering tegen betrokkene A af omdat hij geen partij was bij de koop, maar kende de vordering tegen eiseres toe. Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het verjaringsverweer, omdat de correspondentie met betrokkene A als stuitingshandeling werd gezien en eiseres de schijn had gewekt dat betrokkene A haar gevolmachtigde was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres. Het hof had terecht geoordeeld dat de briefwisseling met betrokkene A eiseres had bereikt en dat zij de schijn had gewekt dat betrokkene A namens haar handelde. Tevens oordeelde het hof terecht dat verweerders binnen een bekwame termijn hadden gereclameerd en dat de toezegging van betrokkene A over de goede werking van de open haard onderdeel uitmaakte van de overeenkomst, ook zonder expliciete garantie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiseres aansprakelijk is voor de gebrekkige open haard en dat het verjaringsverweer faalt.

Conclusie

Rolnummer C01/102
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 4 januari 2002
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
Inleiding
1. In deze zaak heeft zich het volgende voorgedaan:
i) Op 2 mei 1992 hebben thans verweerders in cassatie, verder: [verweerder] c.s., een huis gekocht van thans eiseres tot cassatie, verder: [eiseres], die buiten gemeenschap van goederen was gehuwd met [betrokkene A] met wie zij dat huis bewoonde.
ii) Bij de (aan de koop voorafgaande) bezichtiging van het huis heeft [betrokkene A] bevestigend geantwoord op een vraag van [verweerder] c.s. of de zich in de woonkamer bevindende open haard goed functioneerde.
iii) Het huis is op 31 augustus 1992 in eigendom overgedragen. iv)Bij brief van 16 januari 1993 hebben [verweerder] c.s. aan [betrokkene A] doen weten dat het stoken van de open haard rookoverlast veroorzaakt. [Betrokkene A] heeft daarop bij zijn brief van 28 januari 1993 gereageerd met een aantal stookinstructies.
v) Op 14 februari 1993 heeft [verweerder] zich bij [betrokkene A] erover beklaagd dat de rookklachten bleven.
vi) Bij brief van 6 augustus 1993 heeft mr. Van Hees van ARAG Rechtsbijstand namens [verweerder] c.s. aan [eiseres] en [betrokkene A] medegedeeld dat uit onderzoek was gebleken dat de open haard niet goed functioneerde; [eiseres] en [betrokkene A] werden aansprakelijk gesteld voor de kosten van herstel met sommatie deze binnen veertien dagen te voldoen, met aanzegging van de wettelijke rente.
vii) Daarna heeft, in mei 1994, nog correspondentie plaatsgevonden tussen [betrokkene A] en de raadsman van [verweerder] c.s., mr. De Vink: bij brief van 7 januari 1994 heeft mr. De Vink namens [verweerder] c.s. [betrokkene A] aansprakelijk gehouden voor de aan de open haard geconstateerde gebreken; bij brief van 6 mei 1994 - met daarbij gevoegd een kopie van de onbeantwoord gebleven brief van 7 januari 1994 - heeft mr. De Vink bericht dat hangende een bevredigende afdoening alle rechten ten behoeve van de familie [verweerder] werden voorbehouden. Een en ander leidde niet tot een oplossing.
2. Bij inleidende dagvaarding van 11 september 1995 hebben [verweerder] c.s. zowel [eiseres] als [betrokkene A] in rechte betrokken met een vordering tot schadevergoeding (herstelkosten en buitengerechtelijke kosten).
[Betrokkene A] heeft zich ten verwere erop beroepen dat hij geen partij was bij de koopovereenkomst. [Eiseres] heeft zich beroepen op verjaring, stellende dat in de periode tussen 6 augustus 1993 (de datum van de sommatie van mr. Van Hees) en 9 augustus 1995 (de datum waarop [betrokkene A] een aan hem en [eiseres] gerichte aangetekende brief van een kantoorgenoot van mr. De Vink heeft opgehaald) geen stuiting jegens [eiseres] heeft plaatsgevonden. Voorts heeft zij betoogd dat [verweerder] c.s. niet binnen bekwame termijn als bedoeld in art. 7:23 BW Pro heeft gereclameerd over het niet goed functioneren van de open haard. Verder heeft zij nog aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor het niet goed functioneren van de open haard nu zij ter zake geen garantie had verstrekt.
3. De Rechtbank heeft de vordering tegen [betrokkene A] afgewezen op de grond dat deze geen partij bij de overeenkomst was. Zij heeft de vordering tegen [eiseres] toegewezen.
4. Het Hof heeft - op het door [eiseres] ingestelde hoger beroep - de beslissing van de Rechtbank bekrachtigd. Het beroep op verjaring heeft het Hof verworpen met de overweging dat de aan [betrokkene A] gerichte brief van 6 mei 1994 met daarbij - in kopie - gevoegd de brief van 7 januari 1994, moet worden aangemerkt als stuitingshandeling jegens [eiseres] nu [eiseres] de schijn had gewekt dat [betrokkene A] haar gevolmachtigde was, een schijn waarop [verweerder] c.s. in redelijkheid mochten vertrouwen, doordat [eiseres] zich niet ertegen heeft verzet dat [betrokkene A] te dezen namens haar optrad niet alleen voor de beantwoording van de aan [betrokkene A] gerichte brieven doch ook voor de beantwoording van de aan [betrokkene A] en [eiseres] geadresseerde brieven. Het beroep op het niet-reclameren binnen bekwame tijd heeft het Hof eveneens verworpen. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat vaststaat dat aan [verweerder] c.s. bij de totstandkoming van de koopovereenkomst is medegedeeld dat de haard goed functioneerde terwijl uit de wederzijdse stellingen moet worden afgeleid dat [verweerder] c.s. pas begin december 1992 ontdekten dat er problemen waren met het stoken van de haard; het Hof overwoog dat het dan ook gaat om de vraag of de termijn tussen begin december 1992 en medio februari 1993 kan worden aangemerkt als een bekwame termijn in de zin van art. 7:23 BW Pro, een vraag die naar 's Hofs oordeel in het licht van de omstandigheden bevestigend moet worden beantwoord. Het verweer dat het goed functioneren van de open haard niet was gegarandeerd heeft het Hof verworpen met de overweging dat op grond van onweersproken stellingen en onbestreden gebleven bescheiden voorshands moet worden aangenomen dat [betrokkene A] bij de totstandkoming van de koopovereenkomst aan [verweerder] c.s. heeft toegezegd dat de open haard goed functioneerde zodat een goed functionerende open haard deel uitmaakte van hetgeen partijen zijn overeengekomen; het Hof concludeerde dat in dat verband zonder belang is of die toezegging het karakter had van een garantie.
5. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.
De cassatiemiddelen
6. Middel I richt zich tegen 's Hofs oordeel dat de brief van 6 mei 1994 met daaraan gehecht een kopie van de brief van 7 januari 1994, geldt als stuitingshandeling jegens [eiseres]. Geklaagd wordt dat het Hof ten onrechte niet heeft vastgesteld dat deze aan [betrokkene A] gerichte brieven waren gericht aan [eiseres] en/of door haar zijn beantwoord en/of haar daadwerkelijk hebben bereikt, en evenmin dat [betrokkene A] heeft aangegeven dat hij mede namens [eiseres] antwoordde terwijl toch [eiseres] zulks gemotiveerd heeft bestreden onder het doen van een bewijsaanbod en de enkele mededeling in een niet aan [eiseres] gerichte brief dat alle rechten worden voorbehouden niet kan inhouden een ondubbelzinnig voorbehoud van recht op nakoming jegens [eiseres]. Voorts wordt geklaagd dat het Hof niet feitelijk heeft vastgesteld dat de brief van 6 augustus 1993, gericht aan [betrokkene A] en [eiseres], [eiseres] heeft bereikt. Het middel komt tot de slotsom dat het Hof derhalve niet kon oordelen dat [eiseres] [betrokkene A] namens haar heeft laten optreden en dat zij aldus de schijn heeft gewekt dat [betrokkene A] haar gemachtigde was.
7. Het middel faalt. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat ervan moest worden uitgegaan dat de brief van 6 augustus 1993 die aan [betrokkene A] en [eiseres] was geadresseerd en die een ondubbelzinnige sommatie bevatte, [eiseres] ook heeft bereikt nu [eiseres] niet heeft aangevoerd dat die brief haar niet heeft bereikt (terwijl zij wel heeft erkend dat zij en [betrokkene A] bij deze brief aansprakelijk werden gesteld) en deze brief ook is beantwoord al is dat niet geschied door [eiseres] zelf doch door haar echtgenoot [betrokkene A] met wie zij samenwoonde. Aan het feit dat bedoelde brief door [betrokkene A] is beantwoord, mocht het Hof, zoals het deed, de conclusie verbinden dat [eiseres] de beantwoording aan haar echtgenoot [betrokkene A] had overgelaten en voorts dat zij aldus althans de schijn heeft gewekt dat zij [betrokkene A] terzake volmacht had verstrekt. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarop stuit het middel in zijn geheel af. Miskend wordt met name dat irrelevant is of [betrokkene A] daadwerkelijk namens [eiseres] handelde en mocht handelen en of de aan [betrokkene A] gerichte brieven [eiseres] hebben bereikt nu [eiseres] de schijn had gewekt dat [betrokkene A] gevolmachtigde was en [verweerder] c.s. op die schijn mochten vertrouwen.
8. Middel II komt op tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] c.s. binnen bekwame termijn in de zin van art. 7:23 BW Pro hebben gereclameerd. Geklaagd wordt dat rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, is 's Hofs overweging dat uit de wederzijdse stellingen moet worden afgeleid dat [verweerder] c.s. pas begin december 1992 ontdekten dat er problemen waren met het stoken van de haard nu [verweerder] c.s. in eerste aanleg hebben doen stellen dat direct na het betrekken van de woning in september 1992 de diverse gebreken reeds naar voren kwamen. Voorts wordt geklaagd dat het Hof [eiseres] had moeten toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [verweerder] reeds vóór 7 december 1992 het disfunctioneren van de open haard had geconstateerd.
9. Dit middel faalt nu uit de in het middel genoemde passage uit de inleidende dagvaarding waarop het middel zijn klacht baseert, niet de stelling valt te ontwaren dat ook het litigieuze gebrek (het disfunctioneren van de open haard) direct na het betrekken van de woning is geconstateerd. Bovendien heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in de door het middel genoemde passages uit de memorie van grieven evenmin de stelling gelezen dat [verweerder] c.s. het disfunctioneren van de open haard direct bij het betrekken van de woning hebben geconstateerd nu in deze passages wordt aangetekend dat [verweerder] c.s. de open haard mogelijk later zijn gaan gebruiken. Het Hof heeft derhalve [eiseres] terecht niet tot bewijslevering toegelaten.
10. Middel III bestrijdt 's Hofs overweging dat op grond van onweersproken stellingen en onbetwist gebleven bescheiden moet worden aangenomen dat [betrokkene A] bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft toegezegd dat de open haard goed functioneerde en dat [verweerder] c.s. op grond van deze toezegging mochten verwachten dat de open haard goed functioneerde. Geklaagd wordt dat het Hof heeft miskend dat [eiseres] in haar derde grief heeft betwist een garantie te hebben gegeven dan wel een toezegging te hebben gedaan, zodat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat vaststaat dat een toezegging is gedaan. Voorts wordt geklaagd dat een niet door [eiseres] zelf gegeven garantie niet kan rechtvaardigen 's Hofs oordeel dat een goed functionerende open haard deel uitmaakte van hetgeen tussen partijen is overeengekomen.
11. Ook dit middel faalt. De eerste klacht miskent dat het Hof een onderscheid heeft gemaakt, en ook mocht maken, tussen het geven van een garantie en het doen van een toezegging en voorts dat het Hof in de derde grief kennelijk en niet onbegrijpelijk uitsluitend heeft gelezen de klacht dat de Rechtbank ten onrechte had aangenomen dat een garantie was gegeven. De tweede klacht ziet eraan voorbij dat het Hof zijn oordeel dat [verweerder] c.s. op grond van de door [betrokkene A] gedane toezegging bij de totstandkoming van de koopovereenkomst mochten verwachten dat de open haard goed zou functioneren, nader heeft gemotiveerd in rechtsoverweging 5.13 waar het Hof uiteenzette onder welke omstandigheden de bewuste toezegging is gedaan, omstandigheden die het Hof kennelijk hebben gebracht tot zijn oordeel dat de door [betrokkene A] bij de bezichtiging gedane toezegging meebracht dat [verweerder] c.s. mochten verwachten dat de open haard goed functioneerde. De in het middel vervatte klacht miskent dat bedoelde toezegging onder omstandigheden kon meebrengen dat [verweerder] c.s. mochten verwachten dat "een goed functionerende open haard deel uitmaakte van de overeenkomst".
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden