15. In de onderhavige procedures vorderde de man "verdeling" van de "gemeenschap" terwijl ook de vordering van de vrouw strekte tot een bepaalde "verdeling" of "toedeling", zoals het Hof heeft vastgesteld. In het dictum van zijn arresten van 12 augustus 1999 is het Hof overgegaan tot een partiële verdeling in dier voege dat het, zoals hiervoor onder 9 aangegeven, bepaalde dat:
1) aan de vrouw wordt toebedeeld de eigendom van de beide panden te [woonplaats] tegen vergoeding van f 701.500,-, met veroordeling van partijen om met elkaar op voorhand over te gaan tot de uitvoering van deze partiële verdeling;
2) partijen uit de totale boedel tot zich kunnen nemen de zaken en bedragen vermeld onder de rechtsoverweging 2.4, 2.5 en 2.8 (d.w.z. de vrouw het door haar uit schenking verkregen bedrag van f 25.000,-; de man en de vrouw de aandelen en de bedragen van de diverse bank- en girorekeningen als vermeld in de Staat van aanbrengsten, de man onder aftrek van het bedrag van de in die Staat vermelde studieschuld);
3) de man uitvoering moet geven aan de verrekening van de door hem opgebouwde pensioenaanspraken volgens het systeem van de zogenaamde voorwaardelijke verrekening.
Met deze beslissingen heeft het Hof aldus omtrent een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt, zodat deze tussenarresten in zoverre deelarresten zijn. Nu tegen deze arresten van 12 augustus 1999 binnen de gewone termijn geen cassatieberoep is ingesteld (en overigens ook geen verzet) hebben deze deelarresten kracht van gewijsde verkregen. Deze beslissingen kunnen thans niet meer in cassatie worden aangevochten; voor een beroep tegen deze beslissingen zelf bestaat en bestond overigens in zoverre ook weinig aanleiding dat 's Hofs beslissingen in feite strookten met de wensen van beide partijen, zij het dat de vrouw een lagere waarde aan de onroerende zaken toekende dan het Hof heeft gedaan. De bepaling in het dictum van de hoogte van de vergoeding wegens overbedeling door de "toedeling" van de onroerende zaken aan de vrouw, is niet een uitdrukkelijke afwijzing van de vordering van de vrouw tot vergoeding van haar bijdrage aan de vermogensopbouw van de man; op dit punt is derhalve geen sprake van een deelarrest. De voor de vrouw kennelijk cruciale kwestie van de waardevermeerdering van de privébezittingen kan evenmin als definitief afgedaan worden beschouwd; weliswaar heeft het Hof in zijn dictum bepaald dat partijen de op de Staat van aanbrengsten vermelde zaken en bedragen kunnen terugnemen, maar daaruit volgt niet dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de waardestijging van die vermogensbestanddelen is afgewezen; het Hof rept in het dictum ook niet van een afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Deze kwesties kunnen derhalve nog voorwerp van cassatieberoep uitmaken.
De kwestie van niet-ontvankelijkheid heeft evenwel, zoals gezegd, niet alleen betrekking op de beslissingen in het dictum waarmee aan het proces omtrent een deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt, doch ook op de gronden waarop deze beslissingen berusten. Het voorgaande impliceert dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen (delen van) overwegingen die wel en die niet dragend zijn voor bedoelde beslissingen. (Zie met name het hiervoor genoemde arrest HR 25 mei 1984, NJ 1984, 598; vgl. ook HR 24 december 1999, NJ 2000, 495 m.nt HJS en HR 27 oktober 2000, RvdW 2000, 210C). Het Hof heeft zijn beslissingen gegrond op zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden die bestaan uit een reeks onderling samenhangende artikelen. In het kader van de ontvankelijkheidskwestie zal moeten worden bezien of het cassatiemiddel dat zich richt tegen 's Hofs uitleg, zich wel beperkt tot klachten over uitleg van bepalingen in de huwelijkse voorwaarden waarop het Hof zijn meergenoemde beslissingen in het dictum niet heeft gegrond. Daarbij verdient aantekening dat de vraag van ontvankelijkheid niet aan de orde behoeft te komen voorzover de klachten over 's Hofs uitleg feitelijke grondslag missen. Het wordt thans tijd onder ogen te zien welke klachten het middel bevat.