ECLI:NL:PHR:2002:AD7805
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijsvoering in ontnemingsprocedure ondanks bezwaar op grond van art. 6 EVRM
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem de veroordeelde bij arrest van 14 juli 2000 veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van fl. 193.745,--, met subsidiair 570 dagen hechtenis. De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen dit arrest en voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Hoge Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro vereist dat de bewijsvoering voldoet aan de regels van het nationale recht, en dat het feit dat in ontnemingsprocedures andere bewijsmiddelen gelden dan in de hoofdprocedure niet automatisch strijdig is met dit artikel. Het hof had het verweer van de veroordeelde dat het OM niet-ontvankelijk was, terecht verworpen.
De Hoge Raad ging ook in op de klacht dat het hof ten onrechte een vermoeden als wettig bewijsmiddel had gebruikt. De Raad stelde dat het vermoeden in samenhang met andere bewijsmiddelen werd gebruikt en dat dit geen onrechtmatig bewijs opleverde. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.