ECLI:NL:PHR:2002:AD7805

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03590/00 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36e SrArt. 511f SvArt. 338 SvArt. 339 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijsvoering in ontnemingsprocedure ondanks bezwaar op grond van art. 6 EVRM

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem de veroordeelde bij arrest van 14 juli 2000 veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van fl. 193.745,--, met subsidiair 570 dagen hechtenis. De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen dit arrest en voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De Hoge Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro vereist dat de bewijsvoering voldoet aan de regels van het nationale recht, en dat het feit dat in ontnemingsprocedures andere bewijsmiddelen gelden dan in de hoofdprocedure niet automatisch strijdig is met dit artikel. Het hof had het verweer van de veroordeelde dat het OM niet-ontvankelijk was, terecht verworpen.

De Hoge Raad ging ook in op de klacht dat het hof ten onrechte een vermoeden als wettig bewijsmiddel had gebruikt. De Raad stelde dat het vermoeden in samenhang met andere bewijsmiddelen werd gebruikt en dat dit geen onrechtmatig bewijs opleverde. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.

Conclusie

Nr. 03590/00 P
Mr Fokkens
Zitting: 18 december 2001
Conclusie inzake:
[betrokkene=veroordeelde]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 14 juli 2000 aan de veroordeelde de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de Staat fl. 193.745,-- te betalen, subsidiair 570 dagen hechtenis. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [...] (03591/00 P) en [...] (03592/00 P) waarin ik heden eveneens concludeer.
2. Tegen deze uitspraak heeft de veroordeelde cassatieberoep doen instellen.
3. Namens de veroordeelde heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt erover dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de ontnemingsprocedure in strijd is met art. 6 EVRM Pro op ontoereikende gronden heeft verworpen.
5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar namens de veroordeelde onder meer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is omdat de vaststelling van schuld aan soortgelijke feiten in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr, waarvoor een lichtere bewijsvoering geldt dan in de hoofdprocedure, in strijd is met art. 6, tweede lid, EVRM.
6. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van veroordeelde behoort te worden verklaard omdat de bewijsvoering in de onderhavige ontnemingsprocedure in strijd is met het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro.
Het Hof verwerpt dit verweer.
Genoemde verdragsbepaling houdt voor wat betreft de bewijsvoering in dat deze moet voldoen aan de dienaangaande in de betreffende staat bestaande regelen. De enkele omstandigheid dat in het verband van de regeling met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de in art. 338 tot Pro en met 344a Sv vervatte bewijsmiddelen daarop niet van toepassing zijn, brengt niet mee dat toepassing van die regeling onverenigbaar is met artikel 6 EVRM Pro."
7. In de hoofdzaak is ten laste van verzoeker - voorzover in het kader van de ontnemingsprocedure van belang - onder meer bewezenverklaard dat hij in de periode van 21 maart 1996 tot en met 11 mei 1996 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hash binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Het Hof heeft in het kader van de ontnemingszaak overwogen dat een groot deel van deze hash is verkocht. Daarnaast heeft het Hof bij de berekening van omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met een soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr, namelijk de invoer en verkoop van 335 kilogram hash op of omstreeks 17 december 1995. Voor de overwegingen waarop het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat aannemelijk is dat de veroordeelde samen met zijn mededaders voornoemde 335 kilo hash in Nederland heeft ingevoerd en verkocht, verwijs ik naar de weergave daarvan in de toelichting op het middel. (1)
8. Het middel behelst de klacht dat in concreto dient te worden getoetst of de toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro, met name met het tweede lid van die bepaling. Dat zou in casu niet het geval zijn omdat het Hof redengevende kracht heeft toegekend aan het vermoeden[betrokkene 1]ene 1] tijdens de transporten als "controller" optrad, terwijl een vermoeden geen wettig bewijsmiddel is, zodat de vaststelling dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan vorenbedoeld soortgelijk feit niet "according to the law" heeft plaatsgevonden.
9. Als ik het goed begrijp komt het erop neer dat volgens de raadsman de bewijsvoering niet in overeenstemming is met het bepaalde in art. 511f Sv omdat daarin een vermoeden is opgenomen. Die klacht acht ik niet gegrond. Gelezen in samenhang met de overige bewijsmiddelen ten aanzien van transport 2 en 3 komt uit de bewijsvoering naar voren dat [betrokkene 1] een rol speelde bij andere transporten, dat wordt vermoed dat de rol die deze [betrokkene 1] speelt de rol van controller is en dat diezelfde [betrokkene 1] in november 1995 in Nederland was. Aldus verstaan is van een niet wettig bewijsmiddel geen sprake.
10. Het middel faalt derhalve.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen vond ik niet. Ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In de toelichting op het middel staat achter het eerste liggende streepje 9 november 1995, dit moet zijn 8 november 1995.