1. Een uittreksel uit het handelsregister m.b.t. APD is overgelegd bij als prod. 3 c.v.e. in eerste aanleg. De arbeidsovereenkomst is overgelegd als prod. 1 bij c.v.a. in eerste aanleg.
2. Prod. 1 bij c.v.e. in eerste aanleg en productie 3 bij prod. 2 bij c.v.a. in eerste aanleg.
3. De ontbindingsbeschikking is overgelegd als prod. 3 bij c.v.a. in eerste aanleg. Uit deze beschikking blijkt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, voor zover deze niet reeds was geëindigd. Deze voorwaarde heeft het hof bij de feitenvaststelling niet vermeld (ro. 4.1.4.).
4. Een uittreksel uit het handelsregister m.b.t. Euromedley B.V. is overgelegd als prod. 4 bij c.v.e. in eerste aanleg en m.b.t. DSH als prod. 5 bij c.v.e. in eerste aanleg.
5. Prod. 4 bij c.v.e. in hoger beroep, tevens akte overlegging producties.
6. In de stukken soms aangeduid als "[G] B.V." Of "[G]" hier een eigennaam of een begripsaanduiding is, is niet duidelijk.
7. Het vonnis van faillietverklaring is overgelegd als onderdeel van prod. 3 bij c.v.e. in hoger beroep.
8. In de pleitnotities van APD t.b.v. de behandeling in hoger beroep ter zitting van 23 december 1998 heeft APD betwist dat summierlijk is gebleken van een toestand van opgehouden hebben te betalen. Het hof heeft in ro. 4.1.11. van het bestreden arrest aan de jaarrekening over 1997 van APD ontleende gegevens opgenomen.
9. De bankgarantie is overgelegd als prod. 8 bij c.v.r.
10. Prod. 3 bij c.v.e. in hoger beroep.
11. Die uitzonderingen hebben betrekking op passages in het verslag waarnaar [verweerder] in de m.v.gr. uitdrukkelijk verwezen heeft.
12. HR 2 mei 1997, NJ 1998, 315, m.nt. W.M. Kleijn. Zie ook HR 20 februari 1998, NJ 1998, 444.
13. Zie bijv. de concl. (Hartkamp) bij HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574. nr. 13 (door HR overgenomen).
14. HR 12 december 1997, NJ 1998, 224.
15. Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen, 1998, p. 102.
16. J.J. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, Studiepockets privaatrecht 23, 1981, p. 41. Zie ook HR 21 juni 1996, NJ 1997, 327, m. nt. D.W.F. Verkade.
17. Appeldagvaarding, p. 4. en p. 12.
18. Hoofdstuk 3 van het verslag van de curator, m.n. de door het hof in ro. 4.3.1.b geciteerde delen daaruit.
19. Dezelfde advocaat als die van [eiser] in de onderhavige procedure.
20. M.v.a., p. 11-12,
21. Ro. 4.1.5 van het bestreden arrest.
22. Appeldagvaarding, p. 4 (toelichting op grief 2), p. 7 en p. 12 (grief 8 en de toelichting daarop).
23. Prod. A. bij m.v.a., p. 8 e.v.
24. Vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 en HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574.
25. Pleitnotities van 17 november 1999, nr. 8, p. 8.
26. Opmerkelijk is dat noch [verweerder] noch [eiser] (in feitelijke aanleg of in cassatie), noch ook het hof aandacht heeft geschonken aan de laatste alinea van de samenstellingsverklaring, op p. 3 van de jaarrekening.
27. Vgl. ro. 4.3.4 van het bestreden arrest.
28. De advocaat van [verweerder] spreekt van daadwerkelijke betalingsonmacht (dupliek in cassatie, nr. 1, p. 1).
29. HR 3 april 1992, NJ 1992, 411, m.nt. J.M.M. Maeijer; zie ook L. Timmerman, TVVS 1992/5, p. 129-130.
30. S.t. advocaat [eiser], nr. 3.10, p. 10; repliek in cassatie nr. 4, pp. 2-3.
31. Vgl. s.t. advocaat [verweerder], § 7.2., p. 12
32. Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, 1989, nr. 105, p. 208.
33. Het hofs spreekt van niet-betaling van de schuld van [verweerder] door APD.
34. HR 18 februari 2000 NJ 2000, 295, m.nt. J.M.M. Maeijer (New Holland Belgium/Oosterhof).
35. Vgl. J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, 1998, p. 118-119.
36. De uitleg die de advocaat van [eiser] (s.t., § 3.8, p. 9 en § 3.13, p. 11) geeft aan HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727, m.nt. P. van Schilfgaarde (Coral/Stalt), tis e beperkt. Zie ro. 3.4.3 van dit arrest, mijn conclusie (§ 3.3.5.1.-3.3.5.5., met verdere gegevens) en de noot onder het arrest.
37. In de tweede alinea van subonderdeel 7a, 9e regel, staat twee keer schuldeiser. Ik neem aan dat de tweede keer schuldenaar is bedoeld..
38. Ro. 4.5.1.; zie ook: inleidende dagvaarding, nr. 6, p. 3.
39. Hugenholtz/Heemskerk, a.w., pp. 315-316.
40. De s.t. van de raadsman van [verweerder], § 8.4 laatste alinea, p. 16, gaat ervan uit dat het middel een beroep doet op verjaring en derhalve een ongeoorloofd novum is. Een dergelijk beroep lees ik in het middel niet.
41. Zie ook de in de vorige noot genoemde s.t., § 8.1-8.2, pp. 13-15. en de nota van dupliek nr. 7, p. 4.