AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging arrest inzake verjaring en eigendom grensoverschrijding op kavel in Curaçao
De zaak betreft een geschil over eigendom en verjaring van een perceelsgedeelte in Curaçao, waarop eiser opstallen heeft gebouwd die deels op een aangrenzende kavel staan. De Stichting Monumentenzorg Curaçao vorderde verwijdering van deze opstallen. Eiser beriep zich op verjaring van meer dan dertig jaar en wettige titel via zijn rechtsvoorganger.
De rechtbank wees de vordering toe en verwierp het beroep op verjaring. Het Hof bevestigde dit oordeel, maar baseerde zich deels op een stuiting van de verjaring door een sommatie uit april 1994, hoewel deze stuiting niet door partijen was aangevoerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onrechtmatig de feiten heeft aangevuld door deze stuiting mee te wegen zonder dat partijen dit hadden gesteld, wat in strijd is met het procesrecht. Hierdoor is het recht op hoor en wederhoor geschonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
De Hoge Raad wijst erop dat eiser het recht moet krijgen zijn argumenten over verjaring en eigendom adequaat te laten beoordelen, en dat het Hof geen feiten mag betrekken die niet door partijen zijn gesteld. De overige klachten worden verworpen omdat zij feitelijke beoordeling betreffen die niet in cassatie aan de orde kan komen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onrechtmatige feitelijke aanvulling en de zaak wordt terugverwezen.
Conclusie
Nr. R00/071HR
Mr. Huydecoper
Zitting 23 november 2001
Conclusie inzake
[Eiser],
Verzoeker tot cassatie
tegen
de Stichting Monumentenzorg Curaçao,
Verweerster in cassatie
Feiten en procesverloop
1) De feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen, zijn beknopt maar duidelijk samengevat in rov. 4.1. van het bestreden vonnis. Ik vat die op mijn beurt samen:
a. [Erflaatster] was tot haar overlijden op 24 november 1970 eigenares van twee kavels in Curaçao, aangeduid met de kadastrale nummers 2756 en [0001]. De kavels grenzen aan elkaar.
b. Op 2 december 1975 zijn deze kavels door de erfgenamen van [erflaatster] bij openbare verkoop verkocht.
c. Kavel 2756 werd verkocht aan [betrokkene A](1). Transport vond plaats op 12 maart 1976.
d. Deze kavel, met nr. 2756, is op 9 augustus 1993 verkocht (en nadien geleverd) aan [eiser]. [Eiser] exploiteert in op deze kavel staande opstallen een onderneming.
e. Op 20 januari 1987 heeft het eilandgebied Curaçao kavel [0001] gekocht. Transport vond plaats op 26 januari 1987.
f. Op 27 mei 1994 werd een recht van erfpacht op laatstgenoemde kavel gevestigd ten gunste van de Stichting.
g. [Eiser] heeft in 1993/1994 zijn opstallen verbouwd en uitgebreid. Daarbij is de grens tussen de kavels 2756 en [0001] overschreden, in dier voege dat een deel van [eisers] aanbouw staat op kavel [0001].
h. Het eilandgebied heeft [eiser] bij schrijven van 25 april 1994 gesommeerd om kavel [0001] te ontruimen(2).
2) De verweerster in cassatie, de Stichting, heeft een kort geding tegen [eiser] aangespannen. Zij vorderde daarin, kort gezegd, dat [eiser] de opstallen die hij op het perceel [0001] had laten bouwen, zou verwijderen.
Verzoeker tot cassatie, [eiser], voerde als verweer aan(3) dat hij en zijn rechtsvoorganger(s) al meer dan dertig jaar het bezit, krachtens wettige titel, hadden van de (tot kavel [0001] behorende) grond waarop de betreffende opstallen staan, en dat de eigendom daarvan dus krachtens verjaring op de voet van art. 1982 BWPro van de Nederlandse Antillen aan hem was toegevallen.
3) In de eerste aanleg verwees de kort-gedingrechter de zaak naar de gewone wijze van rechtspleging. De "gewone" rechter verwierp het beroep van [eiser] op verjaring en wees dus de vordering van de Stichting toe. Hij stelde daartoe, mede aan de hand van verhoor van getuigen, vast dat [eiser] zijn bezit van het gedeelte van het perceel [0001] waarop [eiser] gebouwd had, niet ontleende aan toescheiding aan zijn rechtsvoorganger of levering aan hemzelf, en dat ook [eisers] rechtsvoorganger ([betrokkene A]) niet had verkregen van een voorganger die geen eigenaar was. Daarmee was, naar het oordeel van het Gerecht in Eerste Aanleg, niet voldaan aan de vereisten voor de twintigjarige verjaring(4).
4) [Eiser] ging in hoger beroep. De Stichting voerde in appèl verweer. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) bevestigde het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg; maar deed dit op grond van andere overwegingen. Het Hof constateerde dat de verjaring door de in april 1994 verzonden sommatie (zie al. 1 sub h. hiervóór) gestuit zou zijn. Aangezien de aanvang van de twintigjarige verjaring niet vóór een datum in april 1974 kon liggen, kon die verjaring ten tijde van de door het Hof vastgestelde stuiting nog niet voltooid zijn.
Tegen dit oordeel komt [eiser] in cassatie op(5).
Bespreking van het middel
5) Onderdeel I van het middel voert aan - daar komt het op neer - dat het Hof, door stuiting van de verjaring door de sommatie uit april 1994 in zijn oordeel te betrekken, op een met het toepasselijke procesrecht onverenigbare wijze de feiten heeft aangevuld waarop ten verwere een beroep was gedaan.
6) Die klacht is, naar ik meen, gegrond. Art. 52 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen (hierna: Rv. NA) bepaalt, in termen die sterk lijken op die van art. 48 RvPro., dat de rechter ambtshalve rechtsgronden die partijen niet hebben aangevoerd, aanvult. Daaruit wordt naar Antilliaans procesrecht - zoals dat ook naar Nederlands procesrecht het geval is - afgeleid dat de rechter de feitelijke gronden waarop door partijen een beroep is gedaan, niet mag aanvullen(6).
7) De regel waar het hier om gaat, heeft ook goede zin. Als de rechter recht zou (mogen) doen op feitelijke gronden die niet deugdelijk door een procespartij zijn gesteld, is het bijna onvermijdelijk dat de daardoor benadeelde partij geen adequate gelegenheid krijgt om bij zijn processuele standpuntbepaling met de betreffende feiten rekening te houden, en om die daarbij te weerspreken of te weerleggen. Het onderhavige geval is in dit opzicht exemplarisch, omdat argumenten waarmee een beroep op de sommatie van april 1994, als oorzaak van stuiting van de verjaring, hadden kunnen worden weerlegd (stel dat op een en ander een beroep was gedaan) heel goed denkbaar zijn. Zo geldt bijvoorbeeld dat het niet dadelijk in de rede ligt dat de betreffende sommatie beantwoordde aan het vereiste van een door betekening bewerkstelligde aanmaning, zoals art. 1988 BWPro van de Nederlandse Antillen (evenals art. 2016 vanPro het vroegere Nederlandse BW) dat inderdaad eist(7).
Aanvulling van feitelijke gronden betekent daarom (bijna altijd) dat aan het recht op adequaat gehoor ten opzichte van de daardoor benadeelde partij tekort wordt gedaan. Alleen dat al rechtvaardigt, dat aan het verbod van aanvulling van feitelijke gronden de hand wordt gehouden(8). De Hoge Raad doet dat dan ook(9).
8) De Stichting had zich wel beroepen op stuiting van de verjaring, maar had daaraan niet de aanmaning van april 1994 ten grondslag gelegd. De Stichting noemt stuiting alleen - terloops - in haar conclusie na enquête in eerste aanleg, laatste bladzijde, en baseert dit argument daar op uitmetingen die in 1975 en 1993 zouden hebben plaatsgehad, en op het feit dat [eiser] in 1993 gevraagd zou hebben om hem het litigieuze gedeelte van het perceel in erfpacht uit te geven.
In appèl heeft de Stichting haar beroep op stuiting van de verjaring niet herhaald en dat (dus) ook niet nader toegelicht. Aanwijzingen dat partijen het Hof een oordeel hebben willen vragen over mogelijke stuiting van de verjaring door de aanmaning van april 1994 ontbreken dus volledig. Ook dat feit - namelijk het feit dat dit punt in het geheel niet (dus ook niet in het algemene kader van herbeoordeling van de in eerste aanleg aangevoerde argumenten) ter beoordeling aan de appelrechter was voorgelegd - bracht mee dat het Hof geen vrijheid had om daarover (toch) te oordelen(10).
Ik vermeld volledigheidshalve dat de Stichting in eerste aanleg (pleitaantekening in kort geding van 16 juni 1998) wel heeft gesteld dat [eiser] in december 1994 (niet in april 1994) was gesommeerd tot verwijdering van wat hij ter plaatste gebouwd had. Toen is echter niet gesteld dat dit stuiting van enige verjaring teweeg zou hebben gebracht. Dat is daarom begrijpelijk, omdat [eiser] zich in de procedure pas nadien op verjaring heeft beroepen(11).
9) Aan de Stichting - die dit in haar schriftelijke toelichting benadrukt - kan worden toegegeven dat het de rechter in feitelijke aanleg is, die over de uitleg van de processtukken die hem worden voorgelegd heeft te oordelen; en dat de begrijpelijkheid van oordelen die op deze voet in feitelijke instanties worden gegeven, in cassatie niet uiterst kritisch pleegt te worden onderzocht. In deze zaak ontbreekt echter in de stukken ieder aanknopingspunt voor de bevinding dat de Stichting zich heeft beroepen op stuiting van de verjaring op grondslag van de aanmaning van april 1994. Het Hof moet dus wel zelfstandig - buiten de stellingen van partijen om - tot de hier te beoordelen vaststelling zijn gekomen, en daaraan ambtshalve de conclusie hebben verbonden dat de betreffende feiten een (door de Stichting niet gedaan) beroep op stuiting konden dragen - kennelijk omdat het Hof meende dat art. 52 RvPro. NA daarvoor de ruimte laat. Dit - impliciete - oordeel acht ik, zoals gezegd, onjuist(12).
10) [Eiser] heeft een rechtmatig belang bij vernietiging. Zijn beroep op verjaring berust er - als ik dat goed heb begrepen - op, dat zijn rechtsvoorganger [betrokkene A] het omstreden perceelsgedeelte krachtens wettige titel had verkregen, en dat [betrokkene A], en later [eiser] zelf, dat perceelsgedeelte te goeder trouw als eigenaars hebben bezeten/gebruikt, o.a. door daar opstallen op te hebben.
Het lijkt mij toe dat het verre van eenvoudig zal zijn om aannemelijk te maken dat de feiten inderdaad zo liggen(13) (en het in eerste aanleg gegeven oordeel dat de bewijslast op [eiser] rust, heeft [eiser] - naar ik meen terecht - niet aangevochten). Aan [eiser] mag echter niet de gelegenheid worden onthouden om de rechter zijn argumenten hiervoor, en zijn onderbouwing daarvan, ter beoordeling voor te leggen(14).
11) Onderdeel II van het middel is daarentegen, naar ik meen, ongegrond. Dit onderdeel betoogt, als ik het goed begrijp, (vooral) aan de hand van een van de kant van [eiser] verdedigde uitleg van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen, dat vastgesteld had moeten worden dat [eisers] rechtsvoorganger [betrokkene A] al bepaalde opstallen op het omstreden gedeelte van kavel [0001] heeft gehad, of althans dat [betrokkene A] zich als eigenaar van dat perceelsgedeelte heeft gedragen. Het Hof heeft op dit punt echter in zijn vonnis niets beslist. De cassatieschriftuur veronderstelt misschien dat de vaststelling van het Hof dat [eiser] in 1993/1994 de opstallen heeft uitgebreid en daarbij de perceelsgrens heeft overschreden, een impliciet oordeel over deze stellingen (van [eiser]) inhoudt(15). Dat lijkt mij een onjuiste lezing van het vonnis van het Hof. Deze vaststelling impliceert niet méér dan er staat: dat [eiser] in 1993/1994 een aanbouw heeft laten uitvoeren, en dat die aanbouw zich gedeeltelijk op kavel [0001] bevindt.
12) Er valt op dit punt dus geen beslissing van het Hof aan te wijzen, die [eiser] in cassatie zou mogen bestrijden. Ik kan daarom daar laten dat de cassatieklachten, die berusten op een van de kant van één van de partijen verdedigde uitleg van bewijsmiddelen (getuigenverklaringen), een feitelijke beoordeling zouden vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.
13) Onderdeel III bevat geen zelfstandige klacht.
Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging en (terug)verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De naam van deze betrokkene wordt in de stukken op een aantal verschillende manieren weergegeven. In het vonnis van het Hof komt de naam in deze spelling voor.
2 Onderdeel I van het cassatiemiddel klaagt erover dat het Hof ten onrechte dit feitelijke gegeven in zijn oordeel heeft betrokken. Ik bespreek die klacht hierna.
3 Bij "akte tot uitlating" in eerste aanleg d.d. 19 juni 1997, al.5.
4 [Eiser] had zich beroepen op verjaring gedurende (meer dan) dertig jaar. Mij zijn de gronden waarop [eiser] dit betoog baseerde, niet geheel duidelijk geworden. Blijkbaar wil [eiser] betogen dat ook de jaren vóór de verkrijging door zijn rechtsvoorganger [betrokkene A] meegeteld moeten worden. Het staat echter vast dat de kavels 2756 en [0001] vóór de verkrijging door [betrokkene A] in één hand waren. In die situatie kan er van verjaring geen sprake zijn. Men kan niet door verjaring eigenaar worden van een perceel(sgedeelte) waarvan men al zonder meer eigenaar is. Men kan ook geen verjaring tegen zichzelf inroepen; zie bijv.Asser - Mijnssen - de Haan 3 - 1 (dertiende druk, 1992), nr 497.
5 In appèl hebben de partijen getwist over de vraag of deze zaak, nadat die naar de gewone wijze van rechtspleging was verwezen, (toch) nog als een kort geding moest worden aangemerkt. Het Hof heeft beslist dat dat niet het geval was. Die beslissing wordt in cassatie niet aangevochten. Ik ga daarom niet in op de vraag of hier mogelijk de voor een kort geding geldende cassatietermijn in acht had moeten worden genomen. Ik merk ten overvloede op dat de beslissing van het Hof op dit punt mij ook inhoudelijk juist lijkt.
6 Zie bijv. Tillema en Tjittes, TAR "Justicia", 1993, p. 91 (§2, slot); Asser, Inleiding tot het Nederlands-Antilliaanse recht (1997), p. 424-425; Van Mierlo c.s., Inleiding Nederlands-Antilliaans en Arubaans Burgerlijk Procesrecht (2000; hierin wordt overigens het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behandeld, niet de wet zoals die ten tijde van dit geding in de feitelijke instanties gold), p. 52; zie ook van Mierlo, Nieuw Arubaans Burgerlijk Procesrecht, rede 1999, p. 13. Het nieuwe Rv. NA drukt het, zoals ook Van Mierlo c.s. t.a.p. aangeven, nog duidelijker uit. Art. 128 RvPro. NA - nieuw bepaalt, in termen die nauw aansluiten bij die van art. 176 RvPro., dat de rechter - behoudens thans niet ter zake doende uitzonderingen - aan zijn beslissing alleen door partijen gestelde (en zo nodig bewezen) feiten ten grondslag mag leggen. Uit de Memorie van Toelichting bij het nieuwe Rv. NA valt op te maken dat deze regel niet moet worden gezien als een breuk met het voorheen geldende procesrecht, maar als een (her)codificatie daarvan.
7 Zie bijv. Asser-Beekhuis, Zakenrecht (1980), p. 328
8 Aan deze bevindingen doet daarom niet af dat, anders dan ingevolge het Nederlandse Rv. geldt, de appèlrechter onder het Rv. NA niet gebonden is aan de in appèl aangevoerde grieven (en het appel ook moet beoordelen als er in het geheel geen grieven zijn aangevoerd, zie bijv. HR 10 november 2000, NJ 2001, 301 m.nt. HJS, rov. 3.5 en 3.6; zie ook HR 30 juni 2000, NJ 2000, 535, rov. 3.2 en de conclusie van P-G Hartkamp van 14 september 2001 in zaaknr. R00/032, al. 6 t/m 9). Een appèl zonder grieven mag zo worden uitgelegd, dat de appellant datgene wat hij in eerste aanleg heeft aangevoerd alsnog door de appèlrechter beoordeeld wil zien. Daaraan verbinden, dat ook rekening zou mogen worden gehouden met feitelijke stellingen die in het geheel niet aan de partijstandpunten ten grondslag zijn gelegd (maar die de rechter ambtshalve daarvoor aangrijpt), gaat bepaald verder - en gaat ook bepaald te ver; zie ook Tillema en Tjittes, t.a.p.
9 Recente voorbeelden zijn HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454 rov. 3.6., HR 14 april 2000, NJ 2000, 438, rov. 3.4. en HR 23 maart 2001, RvdW 2001, 66 rov. 3.7.1., rov. 3.7.3. en rov. 3.7.4.
10 Zie bijvoorbeeld HR 15 maart 1985, NJ 1986, 36, rov. 3.4
11 Nl. in de "akte tot uitlating" van 19 juni 1997.
12 Een vergelijkbaar geval, maar geheel beoordeeld naar Nederlands recht, is kenbaar uit HR 4 december 1999, NJ 1999, 269, rov. 3.4.
13 In dit verband is tevens te beoordelen de - feitelijke, en tussen partijen in geschil zijnde - vraag of [betrokkene A] het perceelsgedeelte waar de procedure over gaat krachtens een wettige titel heeft verkregen. Daarbij gaat het vooral om uitleg van [betrokkene A's] titel van aankomst. De daarbij te beoordelen aspecten vertonen overigens veel "overlap" met de aspecten die voor het tweede deel van [eisers] stellingen (nl. dat er sprake was van feitelijk, bonafide bezit/gebruik) van belang zijn.
14 Ook de Stichting mag natuurlijk van haar kant alles aanvoeren wat tegen de stellingen van [eiser] valt in te brengen; daarbij kan ook aan de orde komen of de Stichting zich heeft beroepen op stuiting van de door [eiser] te hulp geroepen verjaring (en zo ja, of dat beroep op goede gronden is gedaan).
15 Misschien moeten alinea's 5.5. en 5.6. van de cassatieschriftuur zo worden begrepen, dat ook wordt gesteld dat [betrokkene A] rechtstreeks - en dus niet slechts langs de omweg van (gedeeltelijk voltooide) verjaring - de eigendom van het omstreden perceelsgedeelte heeft gekregen, omdat zijn aankomsttitel zo moet worden uitgelegd. Uiteraard is ook dat een kwestie die niet in cassatie kan worden onderzocht. Ik kan in het midden laten of [eiser] in de feitelijke instanties al stellingen van deze strekking had aangevoerd. Het middel, zoals ik dat begrijp, klaagt er niet over dat het Hof aan stellingen van deze strekking voorbij heeft gezien, en daardoor zijn beslissing niet deugdelijk heeft gemotiveerd.