ECLI:NL:PHR:2002:AD6624
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op verjaring bij vordering tot levering gepachte grond tegen Gemeente Amsterdam
Eisers hadden in 1967 grond in pacht gekregen van een betrokkene en wilden deze grond in eigendom verkrijgen nadat de Gemeente Amsterdam de grond van de erfgenamen had gekocht. Na eerdere procedures van broers van eisers, waarbij de Gemeente werd veroordeeld tot verkoop van de grond, weigerde de Gemeente later aan eisers zelf de grond te leveren. Eisers vorderden daarop nakoming van het aanbod tot verkoop of subsidiair schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.
De Gemeente voerde verjaring aan als verweer, gesteund door de rechtbank en het hof, die oordeelden dat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken en dat eisers de verjaring niet hadden gestuit. Het hof vond dat eisers geen bijzondere omstandigheden hadden gesteld die het beroep op verjaring onaanvaardbaar maakten volgens redelijkheid en billijkheid.
Eisers stelden in cassatie dat het beroep op verjaring aan de Gemeente toe te rekenen is, omdat de Gemeente niet had gewezen op haar voornemen verjaring in te roepen en omdat de situatie van de broers gelijk was. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld dat het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is. Er was geen sprake van een door de schuldenaar geëntameerde proefprocedure en geen bijzondere feiten die het beroep op verjaring zouden weerleggen.
De Hoge Raad concludeert dat eisers zelf verantwoordelijk waren om hun rechten te bewaren en de verjaring te stuiten en dat de Gemeente niet verplicht was hen hierop te wijzen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het beroep van de Gemeente op verjaring tegen de vordering tot levering van gepachte grond niet onaanvaardbaar is en wijst het cassatieberoep af.