ECLI:NL:PHR:2002:AD5773

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/033HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:251 BWArt. 7:608 lid 2 BWArt. 23 FenexconditiesArt. 101a ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepasselijkheid arbitragebeding bij bewaarnemingsovereenkomst en subrogatie

In deze zaak staat centraal of een arbitragebeding uit de Fenexcondities de bevoegdheid van de Rotterdamse Rechtbank belemmert om kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding wegens tekortkoming in een bewaarnemingsovereenkomst.

Belgamar vordert betaling wegens verlies van twee vaten kobalt die Sudamin had opgeslagen bij Albatros, de rechtsvoorganger van Emmbett. Emmbett stelt dat op de overeenkomst tussen Sudamin en Albatros de Fenexcondities van toepassing zijn, inclusief het arbitragebeding, en betwist daarmee de bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank en het hof verwierpen de exceptie van onbevoegdheid. De Hoge Raad bevestigt dat tussen Sudamin en Albatros een zakelijk voorwaardenregime gold dat afweek van de Fenexcondities en dat het arbitragebeding niet automatisch op Sudamin van toepassing is. Ook is geen sprake van een rechtsgrond voor overgang van het arbitragebeding op Sudamin.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de bevoegdheid van de rechtbank om de zaak te behandelen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechtbank blijft bevoegd.

Conclusie

Rolnr. C00/033HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 9 nov. 2001
conclusie inzake
Emmbett Holding B.V.
tegen
Belgische Zeeverzekerings maatschappij N.V. Belgamar
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een arbitragebeding in de weg staat aan de bevoegdheid van de Rotterdamse Rechtbank om kennis te nemen van de door thans verweerster in cassatie (hierna: Belgamar) tegen thans eiseres tot cassatie (hierna: Emmbett) bij die Rechtbank ingestelde vordering tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een uit bewaarneming voortvloeiende verbintenis.
2. Bij exploit van 7 augustus 1996 heeft Belgamar Emmbett gedagvaard voor genoemde Rechtbank tot betaling van een bedrag van US$ 62.902,21. Zakelijk weergegeven heeft Belgamar aan haar vordering ten grondslag gelegd:
- dat [A] Ltd. [...] in juli 1995 aan Sudamin Trading S.A. (hierna: Sudamin) twee vaten kobalt, behorende tot een partij die was opgeslagen bij de rechtsvoorgangster van Emmbett, Albatros Shipping & Transport B.V. (hierna: Albatros), heeft verkocht en - longa manu - geleverd;
- dat Sudamin in juli 1995 met Albatros een overeenkomst heeft gesloten betreffende de opslag van de twee vaten;
- dat Sudamin in december 1995 de twee vaten heeft doorverkocht aan een derde tegen een prijs van US$ 62.902,21;
- dat de twee vaten bij Emmbett spoorloos bleken, zodat uitlevering aan de koper achterwege bleef;
- dat Emmbett als opslaghouder voor het verlies van de twee vaten aansprakelijk is;
- dat Belgamar en andere verzekeraars zijn gesubrogeerd in de rechten van hun verzekerde Sudamin ter zake van het verlies van de twee vaten en dat die andere verzekeraars Belgamar volmacht en last hebben gegeven ook hun schade op Emmbett te verhalen.
3. Emmbett heeft bij incidentele conclusie de onbevoegdheid van de Rechtbank ingeroepen. Zij heeft daartoe gesteld dat op de overeenkomst tussen haar rechtsvoorgangster Albatros en Sudamin de Fenex-condities van toepassing zijn. Krachtens art. 23 van Pro die condities dienen alle geschillen betreffende bedoelde overeenkomst door arbitrage te worden beslist.
4. Belgamar heeft betwist dat de Fenex-condities van toepassing zijn op de tussen Sudamin en Albatros gesloten overeenkomst.
5. De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 juni 1998 de door Emmbett opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verworpen. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 26 oktober 1999 het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
6. Daartoe overwoog het Hof - kort samengevat en voor zover thans in cassatie nog van belang - het volgende.
(i) Tussen partijen is in confesso dat tussen Albatros en Sudamin ten tijde van de onderhavige overeenkomst al geruime tijd een zakelijke relatie bestond (r.o. 7).
(ii) Op deze relatie waren de door Albatros gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Deze hielden in dat op alle stuwadoorswerkzaamheden van Albatros de Rotterdamse Stuwadoorscondities van toepassing, op al haar "warehous activities" de Amsterdam-Rotterdam Veemcondities, en op al haar expeditiewerkzaamheden de Fenexcondities (r.o. 9 t/m 12).
(iii) Nu de onderhavige overeenkomst tussen Sudamin en Albatros uitsluitend de opslag van de twee vaten betrof, behoefde Sudamin niet bedacht te zijn op toepassing van de Fenexcondities, laat staan op het daarin opgenomen arbitragebeding (r.o. 12).
(iv) Het betoog van Emmbett dat tussen Sudamin en Albatros met betrekking tot de onderhavige overeenkomst dezelfde condities hebben te gelden als tussen [A Ltd.] en Albatros (tussen wie - naar de stellingen van Emmbett - Fenex-arbitrage was overeengekomen, ook ten aanzien van opslagactiviteiten), faalt: tussen Albatros en Sudamin gold een voorwaardenregime dat werd bepaald door de tussen hen bestaande zakelijke relatie, hetgeen wordt bevestigd door de verwijzing naar haar algemene voorwaarden op de factuur die Albatros terzake van de opslag aan Sudamin heeft verzonden (r.o. 13).
7. Emmbett is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, dat door Belgamar is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
8. Het middel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat Sudamin, "door een enkele overeenkomst tussen [A Ltd.] en Sudamin en door de opdracht van [A Ltd.] aan Albatros om de vaten vrij te stellen aan Sudamin", de plaats van [A Ltd.] heeft ingenomen, zodat ook op de overeenkomst tussen Albatros en Sudamin de Fenex-condities van toepassing zijn, met inbegrip van het arbitragebeding, en niet relevant is dat tussen Albatros en Sudamin reeds een zakelijk contact bestond waarin andere algemene voorwaarden golden.
9. Begrijp ik het goed, dan wil het middel betogen dat de vordering (tot uitlevering van de vaten) van [A Ltd.] op Albatros, zoals deze voortvloeide uit de tussen deze partijen gesloten overeenkomst van bewaarneming, is overgegaan op Sudamin, zodat deze de verweermiddelen ontmoet die aan die vordering vastzaten, waaronder het beroep op het arbitragebeding. Het middel geeft evenwel niet aan wat de rechtsgrond van deze overgang is en dus ook niet in welk opzicht het Hof het recht heeft geschonden door Sudamin niet gebonden te achten aan het van de overeenkomst tussen [A Ltd.] en Albatros deel uitmakende arbitragebeding.
10. Dat de vordering door [A Ltd.] aan Sudamin is gecedeerd, is door Emmbett niet gesteld en ligt ook niet voor de hand, nu [A Ltd.] de vaten - longa manu - in eigendom heeft overgedragen aan Sudamin, zodat Albatros de vaten voor Sudamin ging houden, en nu Sudamin vervolgens met Albatros een eigen overeenkomst van bewaarneming heeft gesloten.
11. Het van de overeenkomst van [A Ltd.] en Albatros deel uitmakende arbitragebeding kan ook niet worden aangemerkt als een kwalitatief recht in de zin van art. 6:251 BW Pro, reeds omdat niet aannemelijk is dat het arbitragebeding in een zodanig verband met de vaten staat dat [A Ltd.] daarbij slechts belang heeft zolang hij de vaten behoudt.
12. Een reden om hier een uitzondering aan te nemen op de hoofdregel dat overeenkomsten slechts van kracht zijn tussen de handelende partijen, ligt ook niet besloten in art. 7:608 lid 2 BW Pro: Emmbett wordt als bewaarnemer niet aangesproken door een derde die geen bewaargever is, maar door (de gesubrogeerde verzekeraar van) haar contractuele wederpartij uit bewaarneming.
13. Het valt voorts niet in te zien - het middel geeft dat ook niet aan - waarom de door het middel genoemde omstandigheden dat de handelspraktijk vereist dat transacties als de onderhavige snel worden uitgevoerd, dat Sudamin geacht kan worden op te hoogte te zijn geweest, althans zich op de hoogte had kunnen stellen van de inhoud van de tussen [A Ltd.] en Albatros gesloten overeenkomst, en dat arbitrage op dit terrein een snellere gang van zaken garandeert, meebrengen dat Sudamin gebonden zou zijn aan het in de tussen [A Ltd.] en Albatros gesloten overeenkomst opgenomen arbitragebeding.
14. De slotsom moet zijn dat het voorgestelde middel, zo het al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, faalt.
Waar de aangevoerde klachten naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,