ECLI:NL:PHR:2002:AD3683
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing en winsttoerekening bij maatschap met vaste inrichting in België
In deze zaak staat centraal de vraag of een deel van de door een lid van een Nederlandse maatschap gemaakte kosten moet worden toegerekend aan de vaste inrichting van die maatschap in België voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België.
De belanghebbende, een praktijkvennootschap binnen een maatschap van advocaten en notarissen, had aanspraak gemaakt op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor haar aandeel in de winst van het Belgische kantoor, dat als vaste inrichting wordt aangemerkt. De Inspecteur stelde dat ook kosten die niet ten laste van de maatschap komen, maar door individuele maten worden gedragen, moesten worden toegerekend, waardoor geen vermindering werd toegekend.
Het Hof 's-Gravenhage had dit standpunt gevolgd en de vermindering ontzegd. De Hoge Raad stelt echter dat de winst van de maatschap moet worden vastgesteld zonder fictieve kosten toe te rekenen die niet ten laste van de maatschap komen, waaronder de salariskosten van individuele maten. Hierdoor is de belanghebbende gerechtigd tot de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.
De Hoge Raad benadrukt dat de maatschap als afzonderlijke entiteit moet worden beschouwd en dat de vaste inrichting in België geen kosten mag worden toegerekend die de waarde weerspiegelen van door maten verrichte arbeid. Dit oordeel leidt tot vernietiging van het hofarrest en vermindering van de aanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat fictieve kosten van individuele maten niet aan de vaste inrichting mogen worden toegerekend, waardoor de belanghebbende recht heeft op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.