ECLI:NL:PHR:2001:ZD2493
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling objectieve strekking bij belastingdelict niet-tijdige aangifte inkomstenbelasting
De politierechter sprak verdachte vrij van het belastingdelict omdat niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de aangifte niet tijdig had gedaan met de strekking tot het ontduiken van belasting. Het gerechtshof bevestigde deze vrijspraak en motiveerde dat de bestendige praktijk tussen verdachte en de fiscus inhield dat ambtshalve aanslagen werden opgelegd bij niet-tijdige aangifte, waardoor geen te weinig belasting werd geheven.
De Advocaat-Generaal stelde cassatie in tegen deze uitspraak en betoogde dat het hof het strekkingsvereiste van art. 69 AWR Pro onjuist had uitgelegd. Volgens de wetsgeschiedenis moet het strekkingsvereiste objectief worden beoordeeld, waarbij de gedraging een aanmerkelijke kans moet scheppen dat te weinig belasting wordt geheven, ongeacht de subjectieve intentie van verdachte.
De Hoge Raad volgt deze redenering en oordeelt dat het hof ten onrechte heeft afgeweken van de wettelijke grondslag door te veel gewicht te hechten aan de bestendige praktijk tussen verdachte en de belastingdienst. Het niet doen van aangifte is op zichzelf een gedraging die het risico inhoudt dat te weinig belasting wordt geheven, ook als de fiscus ambtshalve aanslagen oplegt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te Leeuwarden voor nieuwe berechting en afdoening, waarbij het strekkingsvereiste objectief moet worden toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting met een objectieve toepassing van het strekkingsvereiste.