ECLI:NL:PHR:2001:ZD2353
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens overschrijding redelijke termijn bij antiekhandelaar
De zaak betreft een antiekhandelaar die door de rechtbank is veroordeeld wegens het niet onverwijld bijhouden van een register van aangekochte goederen en het niet opnemen van identiteitsgegevens van verkopers, in strijd met art. 437 Sr Pro. Zowel de officier van justitie als de verdachte stelden hoger beroep in. Het Hof verklaarde het beroep van de officier niet-ontvankelijk en converteerde het beroep van de verdachte in cassatie.
De Hoge Raad behandelt in deze conclusie twee middelen: het eerste middel betreft de verjaring en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, het tweede middel betreft de onvoldoende motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie deels terecht is en dat dit een strafvermindering rechtvaardigt.
Ten aanzien van het tweede middel bevestigt de Hoge Raad dat het handelen van verzoeker als antiekhandelaar in de uitoefening van zijn bedrijf plaatsvond en dat de rechtbank terecht het verweer van verzoeker dat de goederen privébezit zouden zijn, niet geloofwaardig heeft geacht. De Hoge Raad wijst erop dat de feitenrechter de verklaringen heeft gewogen en dat het oordeel begrijpelijk is.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak alleen voor wat betreft de strafoplegging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, stelt een lagere straf vast en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt een lagere straf vast.