ECLI:NL:PHR:2001:ZD2353

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02414/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SrArt. 70 SrArt. 72 SrArt. 435 lid 1 SvArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens overschrijding redelijke termijn bij antiekhandelaar

De zaak betreft een antiekhandelaar die door de rechtbank is veroordeeld wegens het niet onverwijld bijhouden van een register van aangekochte goederen en het niet opnemen van identiteitsgegevens van verkopers, in strijd met art. 437 Sr Pro. Zowel de officier van justitie als de verdachte stelden hoger beroep in. Het Hof verklaarde het beroep van de officier niet-ontvankelijk en converteerde het beroep van de verdachte in cassatie.

De Hoge Raad behandelt in deze conclusie twee middelen: het eerste middel betreft de verjaring en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, het tweede middel betreft de onvoldoende motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie deels terecht is en dat dit een strafvermindering rechtvaardigt.

Ten aanzien van het tweede middel bevestigt de Hoge Raad dat het handelen van verzoeker als antiekhandelaar in de uitoefening van zijn bedrijf plaatsvond en dat de rechtbank terecht het verweer van verzoeker dat de goederen privébezit zouden zijn, niet geloofwaardig heeft geacht. De Hoge Raad wijst erop dat de feitenrechter de verklaringen heeft gewogen en dat het oordeel begrijpelijk is.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak alleen voor wat betreft de strafoplegging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, stelt een lagere straf vast en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt een lagere straf vast.

Conclusie

Nr. 02414/00
Mr Wortel
Zitting: 19 december 2000
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 26 januari 1998 veroordeeld wegens, onder meer, "als antiekhandelaar niet onverwijld aantekening houden in een register van alle door hem gekochte goederen en van de identiteitsgegevens van diegenen van wie goederen zijn gekocht". Ter zake van deze overtreding heeft de Rechtbank verzoeker twee maanden hechtenis en een geldboete van ƒ 5.000,- subsidiair 50 dagen hechtenis, opgelegd.
2. Deze overtreding is cumulatief tenlastegelegd met het misdrijf van art. 417 Sr Pro. Ook ter zake daarvan heeft de Rechtbank verzoeker veroordeeld. Tegen het vonnis hebben zowel de officier van justitie als de verdachte onbeperkt hoger beroep in gesteld.
Ten aanzien van de overtreding heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 16 februari 1999 de officier van justitie in het appèl niet-ontvankelijk verklaard, en het door de verdachte ingestelde appèl geconverteerd in cassatie.
Tegen het arrest van het Hof, dat derhalve beperkt is tot het tenlastegelegde misdrijf, heeft verzoeker beroep in cassatie doen instellen. Dat cassatieberoep is bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 01522/99.
Verder is er samenhang met zaken tegen andere verzoekers, bij de Hoge Raad bekend onder de griffienummers 02416/00, 01524/99, 02415/00 en 01523/99.
In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.
3. Namens verzoeker heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. In het eerste middel wordt primair gesteld dat er sprake is van verjaring van het recht tot strafvervolging, en subsidiair dat bij de behandeling in cassatie de redelijke termijn voor berechting is geschonden.
5. In het middel wordt eerst de subsidiaire klacht uitgewerkt. Er wordt op gewezen dat het hoger beroep is ingesteld op 30 januari 1989, terwijl de stukken van het geding eerst op 17 november 1999 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, tussen welke data één jaar en bijna negeneneenhalve maand zijn gelegen.
Aan dit middelonderdeel moet het standpunt ten grondslag liggen dat ook indien aanvankelijk het verkeerde rechtsmiddel is aangewend, en eerst later werd vastgesteld dat wordt beoogd de zaak aan het oordeel van de Hoge Raad te onderwerpen, de op haar redelijkheid te beoordelen duur van de behandeling van het cassatieberoep een aanvang neemt op het moment waarop het verkeerde rechtsmiddel werd ingesteld.
6. Hierin kan ik de steller van het middel niet volgen. De vertraging die optreedt door het instellen van het verkeerde rechtsmiddel dient te worden toegerekend aan degene door of namens wie die procedurefout is gemaakt.
Voorts dient bedacht te worden dat het zonder beperkingen instellen van hoger beroep tegen de in eerste aanleg gewezen uitspraak onvermijdelijk maakte dat de zaak in volle omvang door het Hof in behandeling werd genomen.
Het openbaar ministerie had geen andere mogelijkheid dan de zaak ter zitting van het Hof aan te brengen, en het Hof moest zich over zijn bevoegdheid tot kennisneming van de zaak uitlaten.
Bovendien kon eerst na aanvang van de behandeling in hoger beroep worden vastgesteld of het hoger beroep onbedoeld of ten gevolge van een misverstand tegen het gehele vonnis was ingesteld en verzoeker wat de bewezenverklaarde overtreding betreft in dat vonnis wenste te berusten, dan wel in zoverre het verkeerde rechtsmiddel was ingesteld en beoogd werd de zaak met betrekking tot de overtreding aan het oordeel van de Hoge Raad te onderwerpen.
7. Daarom zal het beginpunt van de redelijke termijn in de cassatiefase gevonden moeten worden in de dag waarop het Hof het rechtsmiddel converteerde en de daarmee overeenkomende opdracht met betrekking tot de stukken gaf. Wellicht zou een ander oordeel geboden zijn geweest indien reeds in het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het bereiken van de einduitspraak waarin de conversie van het rechtsmiddel is opgenomen een overschrijding van de redelijke termijn gezien zou moeten worden. Dat is niet het geval.
8. Geheel zonder grond is deze subsidiair voorgestelde klacht toch niet. Het arrest waarbij is bepaald dat het ingestelde rechtsmiddel ten aanzien van de overtreding als cassatieberoep diende te worden behandeld is gewezen op 16 februari 1999. De stukken van het geding zijn bij de Hoge Raad binnengekomen op 17 november 1999. Dit betekent dat met de inzending van de stukken ongeveer negen maanden gemoeid zijn geweest.
Daarmee staat vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, overweging 3.3.), zij het dan in aanzienlijk veel geringere mate dan in het middelonderdeel wordt betoogd.
Ten dele is de klacht derhalve terecht voorgesteld. Enige vermindering van de opgelegde straf zal het gevolg moeten zijn.
9. Met betrekking tot de primaire klacht in dit middel merk ik het volgende op. Het feit waarop dit cassatieberoep betrekking heeft is de overtreding, strafbaar gesteld in art. 437 Sr Pro. Ingevolge art. 70, aanhef en onder 1o, Sr verjaart het recht tot vervolging van dit feit door het verstrijken van twee jaren. Het verstrijken van die termijn wordt gestuit door daden van vervolging als bedoeld in art. 72 Sr Pro, mits die de verdachte bekend zijn geworden. Die stuiting van de verjaring doet (telkens) een nieuwe termijn van twee jaren aanvangen.
10. Kennelijk is de steller van het middel van oordeel dat het ingestelde hoger beroep reeds vanaf het moment waarop het werd aangewend moet worden beschouwd als beroep in cassatie, en dat als eerste daaropvolgende daad van vervolging het betekenen van de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro dient te worden aangemerkt. Naar het inzicht van de steller van het middel kan de vaststelling van het Hof dat ten aanzien van de overtreding het verkeerde rechtsmiddel was aangewend, dat het in zoverre diende te worden verstaan als beroep in cassatie, en de stukken dienovereenkomstig aan de Hoge Raad moesten worden toegestuurd, niet als vervolgingsdaad in de zin van art. 72 Sr Pro gelden.
11. Daarin kan ik de steller van het middel evenmin volgen.
Wederom zal in aanmerking genomen moeten worden dat het instellen van hoger beroep tegen het hele vonnis meebracht dat de zaak allereerst, in volle omvang, door het Hof in behandeling moest worden genomen, en dat pas naar aanleiding van die behandeling kon worden vastgesteld dat het instellen van hoger beroep tegen het hele vonnis niet op een fout of misverstand beruste maar dat met betrekking tot de overtreding bedoeld was cassatieberoep in te stellen. Daarom zal de uitspraak in hoger beroep, ook al ligt daarin besloten dat het Hof ten aanzien van de overtreding niet van de zaak kon kennisnemen, en bevat zij dientengevolge met betrekking tot die overtreding niet méér dan de beslissing dat het ingestelde rechtsmiddel aangemerkt dient te worden als beroep in cassatie, in zoverre aangemerkt moeten worden als een daad van vervolging. Dat arrest stuitte de vervolgingsverjaring terzake van de overtreding en deed een nieuwe termijn aanvangen op 17 februari 1999, aangezien verzoeker (blijkens een proces-verbaal dat zich bevindt bij de stukken betreffende de cassatiezaak met griffienummer 01522/99) bij het uitspreken ervan op 16 februari 1999 aanwezig is geweest en er dus mee bekend is geworden, vgl. HR NJ 1999, 179.
12. De primaire klacht in het middel faalt dan ook.
13. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed omdat de Rechtbank "ten onrechte, althans - mede in het licht van een door en namens verzoeker gevoerd verweer - ontoereikend gemotiveerd heeft aangenomen, dat verzoeker kan worden beschouwd als medepleger van het betrokken kwaliteitsdelict en/of als 'voor de handelaar optredend persoon' als bedoeld in art. 437 lid Pro 2 [lees: Sr, JW]".
Ter toelichting op dit middel wordt erop gewezen dat blijkens de overgelegde pleitnotities namens verzoeker is betoogd dat alle op de dagvaarding onder feit 1 (het misdrijf van gewoonteheling) genoemde voorwerpen "zonder uitzondering betrekking [hebben] op goederen uit de privé-collectie" van verzoeker en zijn echtgenote, "en niet op de winkelvoorraad" (pleitnotities, p. 2 onder 3a)), en ook dat verzoeker niet heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf (pleitnotities, p. 41, onder 17)). Ook wordt er op gewezen dat verzoeker zelf ter terechtzitting heeft verklaard dat de spullen die hij kocht waren bestemd voor de privé-collectie van hemzelf en zijn echtgenote, bedoeld als oudedagsvoorziening en dat enkele door de politie in hun winkel aangetroffen voorwerpen daar 'ter decoratie' waren neergezet.
14. Dat handelen in strijd met het bepaalde in art. 437, eerste lid Sr een kwaliteitsdelict oplevert staat buiten twijfel. Het gaat zelfs om een expliciet kwaliteitsdelict, aangezien de in deze bepaling omschreven verplichtingen uitsluitend rusten op de bij algemene maatregel van bestuur aangeduide handelaren, en alleen indien zij handelen in de uitoefening van hun beroep op bedrijf.
15. Onjuist komt mij daarentegen het in de toelichting op het middel betrokken standpunt voor dat hetgeen door en namens verzoeker is aangevoerd op te vatten is als een 'juridisch bewijsverweer' dat zijn weerlegging niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, waarmee de steller van het middel kennelijk het oog heeft op gevallen zoals aan de orde waren in HR NJ 1982, 411 en HR NJ 1996, 452.
16. In de bestreden uitspraak is aan de in dit middel bedoelde opmerkingen van en namens verzoeker aandacht heeft besteed. Niet onder een afzonderlijk kopje als 'strafbaarheid van het feit' of iets dergelijks, maar opgenomen in de strafmotivering is in de bestreden uitspraak te vinden:
"Verdachte heeft verklaard dat de gekochte gestolen goederen waren bestemd als belegging, dan wel dienden tot waardevermeerdering van de privé-collectie, bedoeld als oudedagsvoorziening.
De rechtbank acht dat niet geloofwaardig, ondermeer gezien de tegenstrijdige verklaringen die verdachte terzake heeft afgelegd, alsmede de strijdigheid met de door zijn echtgenote terzake afgelegde verklaringen.
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte en zijn echtgenote tezamen werkzaam waren in de antiekzaak die formeel op naam van de echtgenote stond. Binnen dat bedrijf was ook een taakverdeling gerealiseerd."
17. Daarmee is hetgeen door en namens verzoeker ter terechtzitting is aangevoerd, voor zover inhoudende dat de voorwerpen die de politie heeft aangetroffen in de op naam van verzoekers echtgenote staande winkel en in hun woning niet waren bestemd voor de verkoop, maar waren aangeschaft als privébezit - zodat niet gezegd zou kunnen worden dat zij die voorwerpen in de uitoefening van de door beide uitgeoefende antiekhandel hebben verworven en voorhanden gehad zonder daarvan aantekening te houden als bedoeld in art. 437 lid 1 onder Pro a Sr, dan wel die voorwerpen hebben verworven van verkopers die hun identiteit niet bekend hadden gemaakt en die persoonsgegevens niet zijn opgenomen in de administratie, als bedoeld in art. 437 lid 1 onder Pro b Sr - gemotiveerd van de hand gewezen.
18. Aangezien die verwerping van dit door en namens verzoeker ter terechtzitting gevoerde verweer berust op feitelijke grond, namelijk dat het aangevoerde niet geloofwaardig is bevonden, kan het oordeel van de Rechtbank niet verder dan op begrijpelijkheid worden onderzocht.
19. Onbegrijpelijk is het allerminst dat de Rechtbank verzoeker niet heeft willen volgen in zijn ter terechtzitting betrokken stelling.
Zo tel ik bij de bewijsmiddelen reeds acht verklaringen van verzoeker of zijn echtgenote waarin is te vinden dat zij ten aanzien van in de winkel te Amsterdam (bewijsmiddelen 10, 11, 61, 66 en 79) en in hun woning te Rijswijk (bewijsmiddelen 30, 44 en 72) aangetroffen voorwerpen een vraagprijs hadden vastgesteld. Dit zijn bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor het bewijs van het begaan van het misdrijf, maar er mag naar mijn oordeel in dit verband betekenis aan worden gehecht, aangezien ook in het verweer is verwezen naar de in de tenlastelegging onder 1 (het misdrijf) opgesomde voorwerpen.
20. Daarbij voegt zich dat verzoeker ter terechtzitting heeft toegegeven dat de in de dagvaarding (met betrekking tot het ten laste gelegde misdrijf) vermelde voorwerpen door hemzelf en zijn echtgenote zijn verworven in de uitoefening van hun bedrijf. Die verklaring is gebruikt als bewijsmiddel 1:
"Omdat de goederen, zoals bedoeld in de dagvaarding, zonder factuur zijn gekocht, hebben mijn vrouw en ik in de periode van 1 oktober 1995 tot en met 27 juni 1996 als opkoper en handelaar in antiek goederen verworven van personen die hun identiteitsgegevens niet hebben opgegeven. Zodoende hebben wij de identiteitsgegevens ook niet in de administratie kunnen opnemen."
Ten overstaan van opsporingsambtenaren had de echtgenote van verzoeker reeds toegegeven dat er met betrekking tot door verzoeker in Tongeren aangekochte voorwerpen is gehandeld in strijd met art. 437 lid 1 Sr Pro, en voorts dat die aankopen werden gedaan met geld van de zaak en het aangekochte bestemd was voor de verkoop. Dat is te vinden in bewijsmiddel 89:
"Ik herken de boeken die u mij toont als de verkoopadministratie van mijn winkel. Ik doe in de winkel de boekhouding en ben dus volledig op de hoogte van deze boekhouding. Alle inkopen met factuur in 1996 worden in het inkoopboek vermeld. De facturen komen terecht in de map in- en verkoopmap 1996. Alle aankopen zonder factuur worden door mij eerst in de agenda vermeld, waarna ik deze in het inkoopboek noteer. U vraagt mij of de aankopen, die mijn man in Tongeren heeft gedaan in de boeken staan. Ik moet u vertellen dat dit niet het geval is. Die aankopen worden gedaan met geld van de zaak. Dit antiek wordt ook in de zaak te koop aangeboden. Dit antiek wordt zonder rekening verkocht, tenzij mensen met een cheque, creditkaart of erop staan, dat zij een rekening krijgen. Als het antiek met rekening wordt verkocht dan wordt het antiek alsnog in het in en verkoopboek vermeld. Het geld dat verdiend wordt door het verkopen zonder rekening en zonder BTW wordt weer in antiek omgezet."
21. Overigens blijkt uit de verklaring van verzoeker, weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting, dat ook verzoeker zelf bij de politie heeft verklaard antiekhandelaar te zijn en uit dien hoofde voorwerpen te hebben aangekocht. Verzoeker heeft dat kennelijk bij de Rechtbank willen terugnemen, en aan zijn eerder afgelegde verklaringen de wending willen geven dat de antiekzaak een affaire van zijn echtgenote was, terwijl hij zelf uit hobbyisme heeft gehandeld. De Rechtbank zag zich derhalve geplaatst voor achtereenvolgens afgelegde verklaringen van verschillende strekking, en in dat geval geldt de gulden cassatieregel dat het aan de feitenrechter is voorbehouden die verschillende verklaringen te wegen en daarvan tot bewijs te gebruiken hetgeen betrouwbaar en voor het bewijs dienstig voorkomt.
Geheel consistent is verzoeker in zijn ter terechtzitting ingenomen standpunt niet geweest. Hij heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, omtrent op de dagvaarding als voorwerpen 2 en 3 genoemde vazen verklaard voornemens te zijn geweest die vazen voor een zeker bedrag te verkopen en, toen hem daarop werd voorgehouden dat hij toch zojuist had verklaard dat de voorwerpen voor de privé-collectie waren bedoeld, gezegd te bedoelen dat hij van plan was geweest ze ooit weer eens te verkopen, als een oudedagsvoorziening. Men kan daarin een verspreking zien die de onhoudbaarheid van het ter terechtzitting ingenomen standpunt verraadt. In de ter terechtzitting afgelegde verklaring kan men nog andere versprekingen van dien aard ontwaren ("De wandkandelaar heb ik (...) apart gekocht. Ik was daarin geïnteresseerd omdat ik hier klanten voor heb. U vraagt mij wat ik hiermee bedoel. Ik bedoel hiermee dat dat klanten zijn voor in de toekomst.").
22. De steller van het middel zou ik in dit verband willen tegenwerpen dat het door de raadsman gehouden betoog in de toelichting op het middel op dit punt onvolledig is aangehaald. In de pleitnotities is te vinden:
"er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds de goederen die door zowel [verdachte] als [echtgenote van verdachte] werden ingekocht ten behoeve van haar antiekzaak in Amsterdam, en anderzijds de inkoop van goederen door met name [verdachte], bestemd om te dienen als belegging, dan wel methode tot waardervermeerdering van de privé collectie, die bedoeld was als oudedagsvoorziening. De methode was meestal het kopen in slechts staat, het laten restaureren, en het met winst verkopen; de winst werd dan weer in de collectie teruggepompt. De op de dagvaarding bedoelde 22 items hebben zonder uitzondering betrekking op goederen uit de privé collectie van [verdachte en echtgenote], en niet op de winkelvoorraad."
23. Het behoeft, dunkt mij, geen verder betoog dat welhaast iedere zelfstandige ondernemer de vermogenswinst die in zijn onderneming kan worden gegenereerd niet alleen als een bron van dadelijk te spenderen inkomsten, maar mede als een oudedagsvoorziening zal (moeten) zien. In het verweer is uit het oog verloren dat bij de toepassing van art. 437 Sr Pro op grond van uiteenlopende feitelijke gegevens zal moeten worden bepaald of iemand is opgetreden als een handelaar in de zin van de algemene maatregel van bestuur waarnaar in die bepaling wordt verwezen, en of dat optreden plaatsvond in de uitoefening van beroep of bedrijf, terwijl de enkele omstandigheid dat er is aangekocht (verworven en/of voorhanden gehouden) met het oogmerk het verworvene niet aanstonds te verkopen, maar met het oog op waardevermeerdering enige tijd in bezit te houden, niet doorslaggevend kan zijn voor de vraag of er in de uitoefening van zulk beroep of een dergelijk bedrijf is gehandeld.
24. Dezelfde denkfout lijkt mij aan te wijzen in de toelichting op het middel, waarin een bespiegeling is opgenomen betreffende particuliere in- en verkoop door een handelaar, geïllustreerd met het voorbeeld van een handelaar die een antiek stuk koopt als cadeau voor zijn echtgenote en die, indien het onderscheid tussen particuliere en bedrijfs- of beroepsmatige transacties niet zou worden erkend, getroffen zou worden door een levenslang verbod het stuk weer te verkopen.
Dat gaat langs de vraag die de Rechtbank had te beantwoorden heen. Een antiekhandelaar die (gebruik makend van zijn deskundigheid en contacten) voor privédoeleinden een antiek stuk wenst te kopen wordt uiteraard niet getroffen door een levenslang verbod tot vervreemding ervan. Het gaat erom dat die antiekhandelaar aan de in het eerste lid van art. 437 Sr Pro omschreven gebodsnormen moet voldoen zodra hij handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
25. Uiteraard kan ook een antiquair voor zichzelf aankopen en zich, indien de verdenking rijst dat hij niet heeft voldaan aan het bepaalde in art. 437 Sr Pro, verweren door er op te wijzen dat hij een bepaald voorwerp niet heeft verworven of voorhanden gehouden in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Dat verweer zal evenwel terzijde kunnen worden gesteld op grond van feitelijke overwegingen, zoals de aanwezigheid van dat voorwerp in de winkel van die handelaar, een kennelijk vastgestelde vraagprijs, of andere aanwijzingen dat de antiquair het voorwerp voor de handel beschikbaar heeft gehouden.
Het komt mij voor dat de feitenrechter aan de onderbouwing van een zo een verweer tamelijk hoge eisen zal mogen stellen, omdat niet aanvaardbaar zou zijn dat de in art. 437 bedoelde Pro, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, handelaren zich aan de door die bepaling belichaamde voorschriften kunnen onttrekken door slechts te stellen dat zij weliswaar hebben verworven (en mogelijk weer te koop aangeboden), maar uitsluitend om privéredenen.
26. Het ter zitting gehouden betoog dat verzoeker - anders dan hij eerder verklaarde - niet als betrokkene bij de onderneming
die op naam van zijn echtgenote stond heeft gehandeld maar uitsluitend uit hobbyisme, en dat hij niet heeft verworven en voorhanden gehouden in de uitoefening van dat bedrijf vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, die de nadrukkelijke verwerping van dat betoog (zij het dan opgenomen bij de strafmotivering) alleszins begrijpelijk maken.
27. Aangezien verzoeker en zijn echtgenote hebben toegegeven dat in verband met de door hen beide gedreven antiekhandel is nagelaten te voldoen aan de door de strafbaarstelling in art. 437, eerste lid, onder a en b Sr onderstreepte verplichtingen, komt geen belang toe aan de klacht dat de laatste twee zinnen (hieronder gecursiveerd weergegeven) van een relaas van verbalisanten, tot bewijs gebruikt als bewijsmiddel 88, luidende:
"De inkopen werden deels niet geadministreerd in de boekhouding. Een enkele aantekening in een agenda was de enige vastlegging die plaatsvond. In de agenda werd niet vermeld van wie de goederen zijn gekocht. Ook inkoopfacturen van deze goederen waren niet aanwezig.
In een verhoor van [de echtgenote van verdachte] heeft zij hierover het volgende verklaard: "U toont mij een agenda die ik herken als mijn agenda, waarin ik de aankopen zonder factuur heb vermeld. Dit betreffen aankopen gedaan vanaf begin 1996 tot heden door mijn man op antiekmarkten. Het betreft hier antiek dat is aangekocht op persoonlijke titel".
Met dit laatste werd bedoeld dat dit antiek werd ingekocht voor persoonlijk gebruik. Uit de agenda bleek echter dat deze goederen ook werden verkocht, zodat het wel degelijk onderdeel uitmaakte van de handel van het echtpaar [verdachte en echtgenote]" een voor het bewijs ontoelaatbaar concluderend karakter hebben. Overigens zou ik menen dat dit onderdeel van het relaas inderdaad te zeer op het aan de rechter voorbehouden terrein van oordeelsvorming komt, maar dat cassatie op die grond ook achterwege kan blijven omdat het relaas van de verbalisanten de Rechtbank voor het overige voldoende aanknopingspunten bood om zelfstandig tot de conclusie te komen waarop de verbalisanten een voorschot hebben genomen (Melai, Wetboek van Strafvordering, aant. 26 bij art. 342), zodat die conclusie, waarvan de Rechtbank op grond van het overige bewijsmateriaal kon oordelen dat zij juist was, kan worden vereenzelvigd met een door de Rechtbank gemaakte gevolgtrekking (vgl. HR NJ 1984, 443 en HR NJ 1987, 1020).
28. Het middel faalt.
29. Het eerste middel is ten dele terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, evenwel alleen met betrekking tot de opgelegde straf, dat de Hoge Raad een zodanig lagere straf zal vaststellen dat de inbreuk op verzoeksters recht op berechting binnen een redelijke termijn naar behoren zal zijn gecompenseerd, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,