ECLI:NL:PHR:2001:ZD1853

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02939/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens onjuiste betekening dagvaarding en nietigheid inleidende dagvaarding

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem bij verstek veroordeeld wegens diefstal, nadat hij niet was verschenen op de terechtzitting. De dagvaarding was uitgereikt aan de griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Verdachte was sinds 1992 vertrokken uit zijn laatst bekende adres en stond niet meer ingeschreven in de Nederlandse persoonsregisters.

De Hoge Raad constateert dat het hof niet heeft onderzocht of verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding niet wellicht gedetineerd was, wat een bekende verblijfplaats zou zijn geweest. Uit stukken blijkt dat verdachte op het moment van betekening in een penitentiaire inrichting verbleef, zodat de dagvaarding aan die inrichting had moeten worden uitgereikt.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de inleidende dagvaarding niet op juiste wijze is betekend, omdat verdachte een oud adres had opgegeven als woonadres terwijl hij daar niet meer woonde. De griffier had de dagvaarding als gewone brief moeten versturen en hiervan aantekening maken. Omdat dit niet is gebeurd, is de betekening niet rechtsgeldig.

Gelet hierop vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem en verklaart de inleidende dagvaarding nietig, met uitzondering van het deel waarin het vonnis van de politierechter is vernietigd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens onjuiste betekening.

Conclusie

Nr. 02939/00
Mr Fokkens
Zitting: 8 mei 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem, met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem, wegens een diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld. Door of namens hem zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.
4. Verdachte is in hoger beroep gedagvaard voor de terechtzitting van 21 augustus 1998. De aan de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking houdt in dat die dagvaarding conform art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3( Sv op 16 juli 1998 is uitgereikt aan de griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Verdachte was op 13 oktober 1992 vertrokken "onbekend waarheen", blijkens een zich in het dossier bevindende brief van het Bureau Vestigingsregister/ Dienst Burgerzaken van de gemeente Den Haag van 20 augustus 1998, waarin verder wordt vermeld dat hij tot laatstgenoemde datum niet meer was opgenomen in een der persoonsregisters van Nederland.
Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem op 4 september 1998 bij verstek veroordeeld.
5. Het is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de rechter, indien de dagvaarding is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van het betreffende gerecht, "omdat van geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is" en de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt, er blijk van behoort te geven te hebben onderzocht of - en zo ja waar - de verdachte van wie ten tijde van de betekening van de dagvaarding geen woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving bekend was, als afgestrafte was gedetineerd. In dat geval moet de penitentiaire inrichting waarin de verdachte verbleef, als diens bekende verblijfplaats worden aangemerkt (vgl. HR NJ 1995, 536 en recent nog HR 20 maart 2001, nr. 02486/00).
6. Nu het Hof er geen blijk van heeft gegeven dit onderzoek te hebben verricht, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
7. Dat een dergelijk onderzoek geen overbodigheid is, blijkt uit een in cassatie verkregen overzicht van historische detentiegegevens van verdachte waarin wordt vermeld dat hij van 4 juli 1998 tot 17 juli 1998 (dus ook op de dag van de uitreiking van de appèldagvaarding aan de griffier) gedetineerd was in PI Oostereiland. De dagvaarding had daar uitgereikt moeten worden. Het arrest van het Hof kan niet in stand blijven.
8. Een tweede ambtshalve opmerking betreft de inleidende dagvaarding, die evenmin op de juiste wijze is betekend. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, District Stad Nijmegen, nummer SNMWES 1101, gedateerd 16 oktober 1996, onder meer inhoudende dat verdachte op diezelfde datum heeft opgegeven te wonen in [plaats A], [b-straat 1].
Verder bevindt zich bij de stukken het dubbel van de inleidende dagvaarding. Blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking is getracht deze dagvaarding op 28 maart 1997 uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats A]. Omdat op dat adres niemand werd aangetroffen en op het achtergelaten bericht binnen de daarin gestelde termijn niet werd gereageerd, is de dagvaarding teruggezonden aan de afzender.
In het dossier trof ik verder een brief van de gemeente [...] van 3 april 1997 aan waarin wordt vermeld dat verdachte op 13 oktober 1992 van het adres [b-straat 1] is vertrokken en dat onbekend is waarheen. (Deze informatie stemt overeen met die genoemd in punt 4 hiervoor).
De dagvaarding is blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 22 april 1997 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem onder de vermelding dat van geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
Ter zitting van de Politierechter van 21 mei 1997 is verdachte niet verschenen en bij verstek veroordeeld.
9. Nu uit de stukken blijkt dat verdachte reeds op 13 oktober 1992 werd uitgeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats A] maar niettemin datzelfde adres bij de politie opgaf als woonadres, had de griffier analoog aan art 588, derde lid aanhef en onder c Sv, de dagvaarding als gewone brief over de post aan dat adres dienen te sturen en had hij daarvan aantekening dienen te maken op de akte van uitreiking. Nu uit de stukken niet blijkt dat op deze wijze is gehandeld, is het impliciete oordeel van zowel de Politierechter als het Hof dat de inleidende dagvaarding naar behoren is betekend zonder nadere motivering onbegrijpelijk (vgl. HR 9 juni 1998, zaaknummer 105.550). Dit zo zijnde, is het met het oog op een doelmatige rechtspleging aangewezen dat de Hoge Raad de inleidende dagvaarding alsnog nietig verklaart.
10. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd en de inleidende dagvaarding nietig verklaart.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden