ECLI:NL:PHR:2001:ZC3696
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing omgangsregeling wegens nadelig effect op geestelijke ontwikkeling kind
Partijen, de vader en moeder van een minderjarig kind, hebben na beëindiging van hun relatie een omgangsregeling overeengekomen waarbij de vader het kind regelmatig zou zien. De moeder heeft deze regeling teruggebracht en uiteindelijk beëindigd vanwege zorgen over de seksuele ontwikkeling van het kind en de associatie daarvan met de vader.
Diverse deskundigen, waaronder het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg en de Raad voor de Kinderbescherming, hebben onderzoek gedaan en geadviseerd om de omgang te ontzeggen totdat een hulpverleningstraject het verantwoord acht om (begeleide) omgang te starten. Het hof heeft deze adviezen gevolgd en geoordeeld dat omgang op dat moment nadelig is voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind, en heeft het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.
De vader stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, stellende dat het hof zijn beoordelingsbevoegdheid had overschreden en het recht op omgang onterecht had beperkt. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof zijn taak als appelrechter niet had miskend, dat het oordeel gebaseerd was op meerdere deskundigenrapporten en dat de afwijzing van het verzoek gerechtvaardigd was op grond van artikel 1:377a, derde lid, onder a, BW.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de afwijzing van de omgangsregeling definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling werd afgewezen wegens nadelig effect op de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind.