ECLI:NL:PHR:2001:ZC3687

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C00/273HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte en schadevergoeding wegens onrechtmatige koop van sieruien afgewezen

Eiseres vordert in cassatie de veroordeling van verweerders tot afgifte van een partij sieruien en tot schadevergoeding, omdat verweerders de partij sieruien van dezelfde eigenaar hadden gekocht terwijl eiseres eerder een koopovereenkomst had gesloten onder ontbindende voorwaarde.

Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat niet is vastgesteld dat verweerders wisten van de eerdere koopovereenkomst tussen eiseres en de eigenaar en dat zelfs als zij daarvan wisten, er geen bijzondere omstandigheden waren die onzorgvuldig handelen aannemelijk maakten.

Eiseres stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod inzake de kennis van verweerders had gepasseerd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de feiten onvoldoende zijn om kennis van verweerders aan te nemen en dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend was.

Omdat het eerste onderdeel faalt, heeft eiseres geen belang meer bij het tweede onderdeel van haar middel. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat niet is vastgesteld dat verweerders wisten van de eerdere koopovereenkomst.

Conclusie

Rolnr. C00/273
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 18 mei 2001
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
1. [Verweerster 1]
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerder 3]
4. [Verweerder 4]
Edelhoogachtbaar college,
1.1 In deze zaak vordert eiseres tot cassatie, [eiseres], kort gezegd veroordeling van verweerders in cassatie, [verweerder] c.s., tot afgifte van een partij sieruien (Allium Globemaster) tegen een prijs van ƒ 1.300.000,--, alsmede hoofdelijke veroordeling van [verweerder] c.s. tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.
1.2 Aan deze vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat [verweerder] c.s. jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door genoemde partij sieruien op 11 mei 1998 van de eigenaar, [betrokkene A], te kopen en deze koopovereenkomst vervolgens ook ten uitvoer te leggen, terwijl zij op dat moment wisten dat [eiseres] die partij reeds eerder, op 2 mei 1998, van [betrokkene A] had gekocht onder de ontbindende voorwaarde dat [eiseres] vóór 15 mei 1998 de financiering van de koopprijs rond zou hebben.
1.3 Zowel de rechtbank te Alkmaar1 als het Gerechtshof te Amsterdam2 hebben deze vorderingen afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen dat (1) niet is komen vast te staan dat [verweerder] c.s. wisten dat [betrokkene A] reeds een koopovereenkomst was aangegaan met [eiseres] (rov. 4.4-4.5) en dat (2) bovendien geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden gezegd dat [verweerder] c.s. - gesteld dat zij wel van die eerdere verkoop hebben geweten - jegens [eiseres] onzorgvuldig hebben gehandeld door ook van [betrokkene A] te kopen. De enkele wetenschap van de tweede koper dat de verkoper wanprestatie pleegt tegenover de eerste koper is daarvoor onvoldoende (rov. 4.6).
1.4 Het hof heeft zijn beslissing aldus doen steunen op twee gronden die deze beslissing ieder zelfstandig kunnen dragen. Het tijdig3 ingestelde cassatieberoep berust op een uit twee onderdelen opgebouwd middel, waarmee beide gronden worden bestreden.
1.5 Onderdeel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.5 en klaagt erover dat het hof het bewijsaanbod van [eiseres] ten aanzien van haar stelling dat [verweerder] c.s. wisten dat [betrokkene A] reeds met haar een koopovereenkomst had gesloten ten onrechte, althans op ondeugdelijke gronden heeft gepasseerd.
1.6 Deze klacht faalt. In rechtsoverweging 4.4 heeft het hof in cassatie onbestreden geoordeeld dat tenminste moet komen vast te staan dat [verweerder] c.s. wisten van de eerdere koopovereenkomst tussen [betrokkene A] en [eiseres] en dat het op de weg van [eiseres] ligt feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan deze wetenschap kan worden aangenomen. In rechtsoverweging 4.5 heeft het hof vervolgens de in dit verband door [eiseres] in eerste en tweede aanleg aangevoerde feiten en omstandigheden onderzocht en geoordeeld dat deze feiten, ook indien zij worden bewezen, niet de conclusie wettigen dat [verweerder] c.s. vóór 11 mei 1998 wisten van de eerder gesloten overeenkomst. Hierin ligt besloten dat de door [eiseres] aangevoerde feiten de vordering niet kunnen dragen, zodat het aanbod deze feiten te bewijzen als niet ter zake dienend kan worden gepasseerd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde ook geen nadere motivering.
1.7 Nu onderdeel 1 faalt, heeft [eiseres] geen belang meer bij bespreking van het tegen rechtsoverweging 4.6 gerichte onderdeel 2. Dit onderdeel kan immers, zelfs indien gegrond, onder deze omstandigheden niet tot cassatie leiden.
1.8 De aangevoerde klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Bij vonnis van 23 september 1999.
2 Bij arrest van 8 juni 2000.
3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 7 september 2000.