ECLI:NL:PHR:2001:ZC3598
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitbreiding onderhoudsplicht tot vrouwelijke levensgezel in gelijkgeslachtelijke relaties
Partijen hebben ruim tien jaar een affectieve relatie gehad en samen gewoond, waaruit een minderjarig kind is geboren. De biologische moeder verzocht de rechtbank om een bijdrage van de vrouwelijke levensgezel in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, op grond van artikel 1:394 BW Pro BW. De rechtbank wees dit toe, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek af, stellende dat de wetgever de onderhoudsplicht beperkt heeft tot mannelijke levensgezellen.
De Hoge Raad overwoog dat een onderhoudsplicht uit een wetsbepaling moet voortvloeien en niet uitsluitend gebaseerd kan zijn op het bestaan van 'family life' in de zin van art. 8 EVRM Pro. Het hof had ten onrechte niet voldaan aan een verdragsconforme uitleg van art. 1:394 BW Pro. De Hoge Raad stelde vast dat het onderscheid in art. 1:394 BW Pro tussen mannelijke en vrouwelijke levensgezellen niet gerechtvaardigd is en in strijd is met art. 8 en Pro 14 EVRM.
De Hoge Raad concludeerde dat de vrouwelijke levensgezel, die met instemming heeft bijgedragen aan de verwekking van het kind en gedurende langere tijd voor het kind heeft gezorgd, gelijkgesteld moet worden aan de mannelijke levensgezel. Dit leidt tot een onderhoudsplicht jegens het kind. Het arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van gelijke behandeling van hetero- en homoseksuele relatievormen in het personen- en familierecht, mede gelet op recente wetswijzigingen die het huwelijk en adoptie openstellen voor personen van hetzelfde geslacht. De Hoge Raad geeft hiermee invulling aan de verdragsrechtelijke verplichtingen uit het EVRM en de grondwettelijke toetsing van nationale wetgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de onderhoudsplicht uit art. 1:394 BW ook geldt voor vrouwelijke levensgezellen en vernietigt het hofarrest.