ECLI:NL:PHR:2001:AD5440

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01692/00 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 461 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens identiteitverwarring bij poging tot inbraak in café

De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld voor poging tot diefstal met braak in een café, maar stelde dat een andere persoon zich had uitgegeven voor hem bij de aanhouding. Uit nader onderzoek bleek dat de aangehouden persoon een ander was dan de aanvrager, onder meer vanwege verschillen in lichaamslengte, postuur en handtekeningen.

De Hoge Raad overwoog dat als vaststaat dat de aanvrager niet de persoon is die op heterdaad werd betrapt, het niet denkbaar is dat het tenlastegelegde bewezen kan worden. Dit vormt een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1 onder Pro 2o Sv, die een herziening rechtvaardigt.

Hoewel in eerdere zaken de Hoge Raad soms zelf een einduitspraak deed wegens doelmatigheid, is in dit geval vrijspraak passend omdat het bewijs tegen de aanvrager ontbreekt. De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond en spreekt de aanvrager vrij van het tenlastegelegde.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond en spreekt de aanvrager vrij van het tenlastegelegde.

Conclusie

Mr Wortel
Nr. 01692/00 Herz
Parket, 22 mei 2001
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Edelhoogachtbaar College,
1. De aanvrager tot herziening is bij uitspraak van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 14 december 1999 wegens "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daar de dagvaarding voor de terechtzitting in persoon was uitgereikt, en tegen deze uitspraak niet binnen veertien dagen na het wijzen ervan een rechtsmiddel is ingesteld, is zij onherroepelijk geworden.
2. Namens de aanvrager heeft mr A.W. Grijseels, advocaat te Rotterdam, een herzieningsverzoek ingediend dat op 18 maart 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2o, Sv, er in gelegen dat het de Politierechter niet bekend kan zijn geweest dat een andere persoon zich na door de politie te zijn aangehouden heeft bediend van de personalia van de aanvrager, en zich aldus voor hem heeft uitgegeven.
4. Opmerking verdient dat uit de stukken blijkt dat op 28 oktober 1999 een persoon op heterdaad is betrapt bij de bewezenverklaarde poging tot inbraak in een café. Uit het proces-verbaal van aanhouding kan worden opgemaakt dat die persoon bij die gelegenheid opgaf te zijn genaamd [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1969 te [plaats B], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, terwijl uit het proces-verbaal van daaropvolgend verhoor van die persoon blijkt dat hij toen dezelfde naam en geboortedatum opgaf, doch te kennen gaf te zijn geboren te [plaats A] (Marokko) en te wonen te [woonplaats], [adres].
Op het politiebureau werd aan die persoon een dagvaarding voor de zitting van 14 december 1999 uitgereikt, waarna hij werd heengezonden.
Ter zitting is de verdachte niet verschenen.
5. Naar aanleiding van dit verzoek is dezerzijds aan de hoofdofficier van justitie te Rotterdam verzocht het mogelijke onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dat nader onderzoek ontving ik op 24 april jongstleden. De daarop betrekking hebbende stukken voeg ik bij het dossier.
6. Tot de resultaten van dit nader onderzoek behoort een proces-verbaal, in wettige vorm opgemaakt door A. de Groot, hoofdagent van politie, dienstdoende bij de Regiopolitie Rotterdam/Rijnmond, zijnde één der politiefunctionarissen die destijds de aanhouding heeft verricht. In dit proces-verbaal verklaart de verbalisant met stelligheid dat de aanvrager, op 19 maart jongstleden voor hem verschenen, niet de persoon is die de verbalisant op 28 oktober 1999 heeft aangehouden, hetgeen de verbalisant onder meer kon waarnemen omdat de destijds aangehouden persoon korter was, en een forser postuur had dan de aanvrager.
7. Voorts blijkt uit de nu bijgevoegde stukken dat de handtekeningen die de aanvrager op 19 maart 2001 heeft geplaatst, onder meer op het proces-verbaal waarin de op die dag door hem afgelegde verklaring is weergegeven, afwijken van de handtekeningen die door de destijds aangehouden persoon zijn geplaatst, onder andere op het proces-verbaal van het toen afgenomen verhoor.
8. Terzijde merk ik op dat in deze stukken ook een verklaring is te vinden voor de omstandigheid dat in het herzieningsverzoek aan de aanvrager, in afwijking van de stukken uit dit dossier, de voorletters [A.B.] zijn toegekend (de aanvrager noemt zich [...]), en voor de omstandigheid dat in het verzoek een andere geboortedatum is vermeld dan uit de stukken blijkt (de aanvrager weet zeker dat hij op [...] 1969 is geboren, maar in bestanden van Nederlandse overheden is die datum, aldus de aanvrager, nooit correct opgenomen).
9. Een en ander geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust. Het levert tevens het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware hij met deze feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken.
Er doet zich derhalve een omstandigheid voor als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2o Sv, zodat de aanvrage gegrond is.
10. In dat geval schrijft art. 467, eerste lid, Sv voor dat de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde wordt bevolen, en dat de zaak op de voet van art. 461 Sv Pro wordt verwezen, opdat de rechter naar wie zij wordt verwezen hetzij het gewijsde zal handhaven, hetzij met vernietiging daarvan de aangewezen einduitspraak zal doen.
11. In enkele eerdere gevallen heeft de Hoge Raad desalniettemin aanleiding gevonden om doelmatigheidsredenen zelf een einduitspraak te doen, omdat na de door de wet voorgeschreven verwijzing geen andere uitspraak zou kunnen volgen, vgl. HR DD 96.119 en HR 28 november 2000, griffienr 02062/99 Herz.
In beide gevallen luidde de aangewezen einduitspraak: niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
12. In het onderhavige geval gaat het om de bewijsvraag. Als die aan de orde is ligt het minder voor de hand dat reeds bij het gegrond bevinden van een (op art. 457 lid 1 onder Pro 2o Sv berustende) herzieningsaanvraag wordt vastgesteld dat na verwijzing geen andere uitspraak dan vrijspraak kan volgen. Dat oordeel vergt immers een waardering van overig (potentieel) bewijsmateriaal in het licht van de aannemelijk geworden, destijds onbekende, feiten en omstandigheden. In beginsel laat zich denken dat de rechter, na verwijzing omdat een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder ten tweede Sv aannemelijk is geworden - die met de bewezenverklaring niet verenigbaar schijnt - desalniettemin oordeelt dat de bewezenverklaring in voldoende mate steun blijft vinden in overige aanwijzingen.
13. Toch zou het mij redelijk en doelmatig voorkomen indien de Hoge Raad de vrijheid vindt zelf na het gegrondbevinden van een op art. 457, eerste lid onder ten tweede, Sv berustende herzieningsaanvraag, in die (vermoedelijk niet vaak voorkomende) gevallen waarin tevens vastgesteld kan worden dat het niet denkbaar is dat de rechter na verwijzing op andere gronden een bewezenverklaring bereikt, de onvermijdelijke consequentie te trekken, en aanstonds vrij te spreken.
14. Naar mijn inzicht doet zich zo een geval thans voor. Indien voor zeker gehouden moet worden dat de aanvrager niet de persoon is geweest die op heterdaad is betrapt, aangehouden, verhoord en met een dagvaarding heengezonden, is het niet denkbaar dat het tenlastegelegde jegens de aanvrager toch nog bewezen verklaard kan worden.
De stelligheid waarmee de hoofdagent van politie die destijds de aanhouding heeft verricht inmiddels heeft geconstateerd dat de aanvrager niet die persoon is, gevoegd bij de daarvoor genoemde reden, namelijk het verschil in lichaamslengte en postuur, geven de zekerheid dat de aanvrager het feit niet heeft begaan, in aanmerking nemend dat hij dertig jaar oud was toen de politie de inbreker aanhield, zodat zijn lichaamslengte een betrouwbaar, niet aan tussentijdse wijziging onderhevig, criterium voor herkenning vormt.
15. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, en de aanvrager om doelmatigheidsredenen zal vrijspreken van het hem tenlastegelegde.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,